Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep

Megafoons verdringen kerkklokken op Ambon

 Een van de kerkgebouwen van de Gereformeerde Kerk van de Molukken, de Silokerk, grensde tijdens de burgeroorlog aan een moslimwijk van Ambon-stad. Foto RD

Een van de kerkgebouwen van de Gereformeerde Kerk van de Molukken, de Silokerk, grensde tijdens de burgeroorlog aan een moslimwijk van Ambon-stad. Foto RD

Hoe ga je om met je islamitische naaste? Na de bloedige burgeroorlog tussen moslims en christenen op de Molukken hebben christenen daarop geen eensluidend antwoord. De gevestigde kerk papt aan met gematigde moslims en zoekt eenheid in het geloof. De sterk groeiende charismatische kerken blijven daarentegen oproepen tot bekering. Tactischer en minder brutaal, dat wel, maar nog altijd luidruchtig. En vooral: vol verwachting. „Onze moslims, dat zijn de laatsten die straks de eersten zullen zijn.”
Wie in Ambon-stad de stilte zoekt, kan maar beter niet de straat opgaan. Een mensenmassa wringt zich er al toeterend op brommers, in auto’s of in taxibusjes door de miserabel geplaveide straten. ’s Avonds is het een stuk rustiger, maar dan duiken er weer andere stilteverstoorders op. Christelijke muezzins zou je ze kunnen noemen: voorgangers uit charismatische kerken of groepen die in de open lucht op schreeuwerige toon en per megafoon de toegestroomde menigte toespreken.

De tijd dat op Ambon christenen ingetogen en in het zwart op zondag ter kerke gaan bestaat nog wel, maar dat is allang niet meer het dominante straatbeeld. Luidruchtige Crusade-for Christcampagnes, met veel extase en halleluja-geroep, domineren steeds meer het godsdienstige publieke klimaat.

Ook binnen vier muren voltrekt zich dit proces van charismatisering van het Molukse christendom. Dat is te zien aan diverse kerken-in-aanbouw, waarachter vooral pinkster- of andere charismatische groepen zitten.

Met name jongeren trekken massaal vanuit de gevestigde protestantse kerken in de richting van deze al of niet ommuurde samenkomsten, waar in uiterlijke en auditieve zin nu eenmaal meer te beleven valt.

„Daar krijgen ze de meest fraaie beloften voorgeschoteld”, mopperen Broerie en Etha Hendriks, een prominent predikantenechtpaar uit de Protestantse Kerk van de Molukken, de GPM (Gereja Protestan Maluku). „Dat Jezus al je problemen oplost bijvoorbeeld. En alles wat hier nog tegenzit zal veranderen wanneer Hij terugkomt.” Tegen dat laatste is vanuit Bijbels oogpunt weinig in te brengen, maar wat de Hendriksen vooral dwarszit is dat deze groepen zich in hun ogen weinig gelegen laten liggen aan de precaire sociale situatie op de Molukken. Enkele jaren terug werd hier immers een bloedige burgeroorlog (1999-2003) tussen christenen en moslims beëindigd, zonder dat er sprake was van werkelijke toenadering tussen beide bevolkingsgroepen. Christenen en moslims wonen sindsdien volledig gescheiden, en koesteren over en weer nog veel wantrouwen.

Verdraagzaamheid
De leidende theologen binnen de GPM -met het echtpaar Hendriks voorop- zijn actief in het leggen van loopplanken om de kloof te overbruggen. Vanaf de kansels en in de collegezalen wordt verdraagzaamheid jegens moslims gepredikt en gedoceerd: een wel erg uitgerekte versie van oecumene moet de geestelijke basis worden van de pluralistische samenleving die de Molukse gemeenschap in de ogen van de GPM nu eenmaal is. Theologiestudenten moeten daarom extra intensief de islam bestuderen, en daarbij vooral kennismaken met de goede kanten van deze religie. Moslims worden uitgenodigd om op hun beurt het christelijk geloof beter te begrijpen en te waarderen.

„En wat doen de pinkstergroepen?” zegt Etha. „Die kloppen de emoties van mensen hoog op met hun opwekkingsliederen, om dan steevast te eindigen in de slogan: „Alle Indonesiërs voor Jezus!” U kunt zich voorstellen wat moslims daarvan denken als ze dit soort kreten ’s avonds over straat horen klinken.”

Het loopt al tegen zessen wanneer we aankloppen bij de eenvoudige pastorie van ds. Hendrik Lolaen, predikant van een van de pinkstergemeente (200 families groot) in Ambon-stad. Lolaen is tevens voorzitter van de Molukse afdeling van de Pinkster Unie van Indonesië. Zijn huis grenst aan het kerkgebouw en vanuit de open ramen schalt een bekend lied door de avondlucht: ”’k Heb geloofd en daarom zing ik”.

Lolaen stelt dat met de komst van de pinksterbeweging een „nieuw concept van geloven” op Ambon is geïntroduceerd: een striktere levensstijl -bijvoorbeeld geen alcohol meer- en sowieso een meer op de praktijk gericht geloof. „Daardoor werd het christelijk geloof ook aantrekkelijker voor moslims. Het meest interessant is natuurlijk onze liturgie. Die is heel wat persoonlijker en dynamischer dan die van de GPM-kerken. Het is niet voor niets dat jongeren uit de GPM naar ons toekomen.”

Elders in de stad ontmoeten we pendeta (dominee) Jan Wattimena, secretaris van de Gereja Bethel Indonesia. Deze kerk opende in 1970 voor het eerst haar deuren op Ambon. In Ambon-stad telt de kerk ruim 6500 leden. Het kerkgenootschap ruimt in zijn diensten een grote plaats in voor tongentaal. Verder ook hier een op de praktijk gericht geloof. Zo organiseert de GBI regelmatig mannendagen, bedoeld om huiselijk geweld tegen te gaan.

Over de gevestigde GPM wil Wattimena ook wel wat kwijt. „Om leegloop in eigen gelederen tegen te gaan, apen ze veel van de GBI na. Ze organiseren tegenwoordig ook openluchtdiensten en praiseavonden.”

Maar op één punt zal er altijd verschil blijven, denkt Wattimena: de GPM probeert theologisch aan te pappen met de islam, terwijl wij het exclusieve gezag van de Bijbel blijven benadrukken.”

Wat dat concreet betekent voor de omgang met de islamitische naaste? Zijn ook Bijbelgetrouwe kerken niet door de omstandigheden gedwongen om moslims niet opnieuw in de gordijnen te jagen? „Akkoord”, reageert Lolaen. „We kunnen niet meer op een confronterende manier het Evangelie brengen, en zullen tactischer te werk moeten gaan. Dus ook geen massale campagnes meer onder moslims. Bekeringen worden ook niet meer van de daken geschreeuwd.”

Nieuwe kansen
Dat neemt niet weg dat er volgens hem juist door de burgeroorlog nieuwe kansen voor evangelisatie onder moslims zijn ontstaan. „Neem nu het interreligieus overleg dat de overheid heeft opgezet, en waaraan vertegenwoordigers van alle grote godsdiensten maandelijks deelnemen. Daardoor brokkelt onderling wantrouwen af, en zijn er mogelijkheden voor uitwisseling van geloofsopvattingen.”

Ds. Wattimena ziet de segregatie van moslims en christenen wel als een blokkade voor de verspreiding van het Evangelie onder moslims. Vandaar dat zijn kerk nu openluchtdiensten in de grensgebieden met moslims houdt. „Er zijn altijd wel moslims die daarop afkomen.”

Intussen heeft de burgeroorlog geleid tot sluiting van diverse GBI-kerken. Vooral in de noordelijke Molukken, waar moslims in de meerderheid zijn, zijn veel gemeenten verdwenen. Op het grote eiland Seram was zelfs sprake van gedwongen bekeringen. Daarbij ging het om drie families, waarvan de leden nu als moslims gekleed door het leven gaan.”

Wattimena is er intussen van overtuigd dat God een bedoeling had met de burgeroorlog. „Hij wilde ons geloof beproeven. Wij christenen leunden al te gemakkelijk achterover, vertrouwend op onze positie, ons geld, onze welvaart. Zelfs tijdens de oorlog dachten we het nog te kunnen redden door allerlei magische hulpmiddelen weer uit de kast te halen, waarvan we dachten dat die ons tegen de kogels van de vijand zouden beschermen.”

Wattimena noemt de komst van de Laskar Jihad in 2000 het grote omslagmoment. „Daardoor werden christenen in het nauw gedreven. Toen maakte God duidelijk dat Hij de enige is op wie zij moesten vertrouwen.”

En wie dat deed, werd in zijn vertrouwen niet beschaamd. Wattimena vertelt het verhaal van zijn vader, die in 1999 door moslims gevangen werd genomen en met een kapmes onthoofd zou worden. Maar het mes brak af op zijn hals. Geschrokken deinsde men terug: „Deze man bezit magische krachten!”

„Nee, reageerde mijn vader, het enige wat ik doe is: bidden tot mijn God. Hij bracht het er levend vanaf.”

Voor Lolaen houdt de zin van de burgeroorlog vooral verband met zijn overtuiging dat God de moslims niet heeft afgeschreven. „Ze zouden wel eens de laatsten kunnen zijn waarvan de Heere Jezus spreekt, en die straks als eersten het Koninkrijk binnengaan. Ze hoeven immers enkel nog Jezus te erkennen als hun Zaligmaker. Voor het overige zijn ze er helemaal klaar voor, omdat ze veel gedisciplineerder zijn dan wij. Moslims zouden wel eens veel betere christenen kunnen zijn dan wij allemaal bij elkaar.”


Vijf jaar na het einde van de burgeroorlog kampen Molukse burgers nog altijd met de verwerking van traumatische ervaringen. Ook voor de kerk ligt hier een taak om gemeenteleden er psychisch en geestelijk weer bovenop te helpen, zegt oud-synodevoorzitter van de GPM, Broerie Hendriks.

Het is vooral Hendriks’ vrouw Etha die daarbij het voortouw heeft genomen met de oprichting van vrouwenpraatgroepen in de dorpen op Ambon en omringende eilanden als Seram, Haruku en Sapparua. Ook nu nog komen op diverse plaatsen zulke gemengd christelijk-islamitische groepen bijeen om als het ware opnieuw met elkaar kennis te maken.

De procedure is daarbij telkens dezelfde. Een groep van twintig tot dertig moslim- en christenvrouwen leeft vijf dagen achtereen met elkaar onder één dak, om gezamenlijk tal van activiteiten te ondernemen die hen dichter bij elkaar moeten brengen.

Overigens was het nog niet zo eenvoudig om vrouwen uit de dorpen zo ver te krijgen mee te doen. Vrouwen peinsden er aanvankelijk niet over om met andersgelovigen in één huis te gaan zitten.

Was er ten langen leste dan toch een groep gevormd, dan zaten de vrouwen met de lippen op elkaar, vol haat en argwaan elkaar te beloeren. „We vertrouwden de ander voor geen cent”, herinnert Etha zich haar eerste sessie. Zelfs het kiezen van een locatie had altijd heel wat voeten in de aarde. „Wij wilden een kerkgebouw als ontmoetingsplek, maar de moslimvrouwen weigerden ook maar één stap daar binnen te zetten. „We hebben maar één hoofd, en voor we het weten ligt ook het onze ernaast”, zeiden ze.

Uiteindelijk waren het de christenvrouwen die overstag gingen en naar een huis van een moslim trokken, maar ook zij durfden in eerste instantie nauwelijks naar binnen. „Doodsangsten hebben we uitgestaan toen de nacht viel en wij als christenvrouwen alleen in het huis moesten slapen. De moslimvrouwen durfden de nacht niet bij ons te blijven - bang als ze waren in de val te lopen.”

Toen er de volgende ochtend niets bleek te zijn gebeurd, was het ijs gebroken aan beide kanten, en kon wederzijds vertrouwen gaan ontstaan. Tijdens de gesprekken, waarin al het oude zeer naar buiten kwam, werd er gehuild, geschreeuwd, gevloekt. Maar uiteindelijk vielen de vrouwen elkaar om de hals, en biechtten ze het elkaar op: mijn vooroordelen kloppen helemaal niet. Jullie zijn anders dan ik had gedacht.”


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek