Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep

Lichtzinnige calvinisten en demonische orgels

 Calvijn was niet voor het orgel.

Calvijn was niet voor het orgel.

GRAND RAPIDS – De volgelingen van Calvijn waren, in tegenstelling tot het huidige clichébeeld van een calvinist, volgens hun tegenstanders niet altijd streng, maar soms zelfs te weinig streng.
Tijdens de zaterdag afgesloten conferentie van de Calvin Studies Society in de Amerikaanse stad Grand Rapids werden verschillende mythes over Calvijn getoetst.

Dr. Mirjam van Veen (Vrije Universiteit Amsterdam) toonde uit de bronnen aan hoe Nederlandse tegenstanders van Calvijn en calvinisten hen verweten dat ze een onzuivere leer en een veel te los leven leidden. Zowel arminianen als rooms-katholieken schreven boek na boek waarin zij het calvinisme als een gevaarlijke vernieuwingsbeweging afschilderden.

Opvallend genoeg leek er een soort competitie in strengheid plaats te vinden. De calvinisten werden er van beschuldigd dat ze maar twee of drie keer per week kerk hadden, terwijl de rooms-katholieken elke dag een dienst konden meemaken. Bovendien strooiden de tegenstanders van de calvinisten het verhaal rond dat zij er een zeer losse seksuele moraal op nahielden.

De polemiek tegen calvinisten wierp vruchten af. Op een bepaalde moment wilden nieuwe leden van de gereformeerde kerk te Delft niet hardop gezegd hebben dat ze als lid waren toegetreden, uit angst voor sociale gevolgen. In tegenstelling tot het populaire beeld werd de leer van Calvijn dus niet afgewezen omdat deze te streng zou zijn, maar juist omdat deze niet streng genoeg zou zijn.

De Amerikaanse predikant dr. Randall Engle verzorgde een lezing over de houding van Calvijn en zijn volgelingen ten opzichte van muziek, in het bijzonder het orgel. Calvijn was er niet vóór, hoewel hij er volgens Engle geen groot punt van maakte.

Verschillende gereformeerde schrijvers aarzelden niet om het orgel demonisch te noemen. Het leeft immers: het ademt en het maakt geluid. Bovendien was het orgel te duur en te luxueus, en gaf het aanleiding tot afgoderij, omdat men geneigd was allerlei figuren te maken van de pijpen van het orgel.

Toch had vrij snel vrijwel elke gereformeerde kerk in Nederland een orgel. De reden was eenvoudig. Men schreef voor dat geen menselijk instrument, maar het door God gegeven instrument, de menselijke stem, gebruikt zou worden. Omdat mensen geen eigen psalmboek konden betalen, de wijzen niet kenden en niet gewend waren om samen te zingen, was het gezang echter geen gehoor.

Het aanstellen van voorzangers hielp niet altijd. Wie dan bedenkt dat in veel kerken het orgel al voorhanden was, omdat het rooms-katholieke instrument nooit was afgebroken, begrijpt dat het leven hier sterker was dan de leer. Bovendien waren veel predikanten ex-priesters, die met het kerkorgel geen enkele moeite hadden.

Een andere mythe die tijdens de conferentie sneuvelde, betreft de gedachte dat Calvijn eigenlijk nooit van gedachten veranderde. Prof. Elsie McKee (Princeton) toonde door middel van een nauwkeurige lezing van de verschillende edities van de ”Institutie” aan dat Calvijns visie op 1 Timotheüs 2:1 en 8, over het gebed, wel degelijk veranderde in de loop der tijd.

In de ”Institutie” van 1536 verwijst Calvijn naar 1 Timotheüs 2 in het kader van het persoonlijke gebed. In de volgende editie, van 1539, voegt hij er aan toe dat deze tekst ook op het openbare gebed in de eredienst betrekking kan hebben. Die opmerking strookt geheel met de traditionele uitleg van onder meer de kerkvaders. In de ”Institutie” van 1559 laat de reformator de verwijzing naar 1 Timotheüs 2 echter weg. Waarschijnlijk is dit te verklaren uit Calvijns nadere bestudering van 1 Timotheüs in verband met het commentaar dat hij op dat Bijbelboek schreef.

refdag.nl/calvijn2009.


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek