De synode aanvaardde de meeste hoofdlijnen van het rapport als „uitgangspunt voor onderzoek” en niet als beleid. Zo is nader onderzoek nodig naar nauwere samenwerking van gemeenten en de verplichte deelname van predikanten en kerkelijke werkers aan een werkgemeenschap. Ook gaf de synode nog geen groen licht voor de benoeming van een zogeheten ”pastor pastorum”, een positie vergelijkbaar met de huidige regionaal adviseur. Het was de bedoeling dat de pastor pastorum een vertrouwenspersoon zou worden van predikanten in een bepaalde regio.
Op aangeven van ouderling mw. S. Hiebsch (Amsterdam) besloot de synode geen besluit te nemen over de loopbaanontwikkeling van predikanten. Het rapport voorzag in drie traktementsschalen voor predikanten en verplichte educatie in plaats van studieverlof.
Om kleine gemeenten te steunen, besloot de synode wel de bijdrage voor de solidariteitskas per belijdend lid te verhogen van 5 naar 7,5 euro. Daardoor komt een bedrag van 6,75 miljoen euro beschikbaar voor steun aan gemeenten.
Voorafgaand aan de synodebespreking zei scriba dr. A. J. Plaisier dat het rapport ”De hand aan de ploeg” niet is geschreven om de kerk op haar kop te zetten. „De voorstellen beogen de samenwerking en kwaliteit van het werk van predikanten en kerkelijk werkers te vergroten.”
Dr. Veerman, voorzitter van de stuurgroep, zei dat het rapport vooral de grote lijnen weergeeft. De details kunnen in de praktijk worden ingevuld. „Het gaat erom dat we koers kiezen.”
Hiebsch plaatste daar namens de commissie van rapport, die de voorstellen heeft bestudeerd, enkele kanttekeningen bij. Zo is het volgens haar nog onduidelijk op welk niveau de kerkelijk werker moet worden bijgeschoold om predikant-vicaris te worden. „Als het om hbo-niveau gaat, wordt daarmee gezegd dat zes jaar academische studie gelijk is aan vier jaar hbo-studie en bijscholing op dit niveau. Het is onmogelijk en vanuit de kerkorde onaanvaardbaar dat iemand met een dergelijke opleiding de titel predikant krijgt.”
Volgens de commissie van rapport zijn er ook nog te veel onduidelijkheden over het traktement van predikanten, de samenwerking tussen predikanten en kerkelijk werkers, studieverlof en permanente educatie. Hiebsch adviseerde de synode dan ook nog geen besluit te nemen over de loopbaanontwikkeling van predikanten.
Meerdere synodeleden zeiden de aanbevelingen van de commissie van rapport te steunen. Ds. L. Plug (Schoonhoven) gaf aan dat het onderscheid tussen predikanten en kerkelijk werkers duidelijk moet zijn. „Een arts is ook geen verpleger en een verpleger is geen arts.”
Ds. J. F. Fischer (Emmen) is juist bang dat veel kerkelijk werkers met preekconsent straks eerst predikant-vicaris moeten worden om te kunnen blijven voorgaan.
Adviseur prof. dr. H. de Roest, hoogleraar aan de Protestantse Theologische Universiteit, vindt dat het rapport te vaag blijft over de positie van de predikant-vicaris. „De synode moet niet indruk wekken dat een hbo’er met wat aanvulling zomaar predikant wordt. Dat ambt moeten we hooghouden.”
Dr. Veerman ontkent dat er straks een „sluiproute” bestaat om als hbo’er predikant in de Protestantse Kerk te worden. Hij zei dat de stuurgroep slechts een praktische oplossing heeft willen zoeken. „Het blijft zo dat het predikantschap vanuit de academie wordt gevoed.”
Ook prof. dr. J. Hoek benadrukte het belang van academische vorming van predikanten. „Natuurlijk, er zijn altijd uitzondering geweest, zoals mensen met singuliere gaven. Maar niemand gaat straks naar het hbo om predikant te worden.”