Het bureau zit hier sinds Van Beijnum in 1985 voor zichzelf begon. „We woonden in Amerongen en ik wilde mijn kantoor graag in het dorp hebben. De mogelijkheden daarvoor waren beperkt. Het huis op nummer 16 had ik in eigendom. Toen heb ik dat als kantoor in gebruik genomen. Later heb ik nummer 18 erbij gekocht. Die twee middelste woningen van het blok vormen nu ons onderkomen.”
In het kantoor is amper te zien dat het om twee voormalige woningen gaat. Achter moderne beeldschermen werken tekenaars aan plannen. Aan de muren hangen prints van de nieuwste ontwerpen. Van Beijnum is druk met het gebouw van de gereformeerde gemeente van Puttershoek, een multifunctioneel gebouw in Achterberg, een schooluitbreiding, de hersteld hervormde kerk in Elspeet en andere projecten.
Urk is goed vertegenwoordigd in het kantoor. Aan de muur hangen tekeningen voor een project in het vissersdorp en op een kast staat de UK44, een schaalmodel van een vissersboot. „We doen veel in Urk. Kort na mijn start als zelfstandig architect kreeg ik de opdracht een ontwerp te maken voor de Ds. E. du Marchie van Voorthuysenschool. Sindsdien heb ik er veel projecten gedaan: onder meer een aantal woningen, de Datheenschool, de visafslag, de Sionskerk van de gereformeerde gemeente, de gereformeerd vrijgemaakte Rehobothkerk, de christelijke gereformeerde Pniëlkerk, hervormde gemeente De Ark en ook een uitbreiding van de oud gereformeerde Jachin Boazkerk.”
De Amerongse architect stopte ook veel energie in een project voor het havengebied van de IJsselmeerplaats. „De oude visafslag is gesloopt. Er waren plannen om daar horeca, winkels en huizen te realiseren. Dat project staat nu in de ijskast”, zegt hij wijzend op fraaie 3D-tekeningen aan de muur.
Wouter Marinus van Beijnum -geboren in 1946- is een man van de praktijk. Na een studie bouwkunde begint hij zijn arbeidzame leven als opzichter in de bouw. Later wordt hij bouwkundig tekenaar en medewerkend architect. Via studie aan het Instituut voor Architectuur in Utrecht behaalt hij zijn diploma’s om als architect aan het werk te gaan.
Zijn eerste ervaring als medewerkend architect doet Van Beijnum op bij een architectenbureau in Zeist. „Die bouwde vooral voor de gezondheidszorg, met name verpleeghuizen en zwakzinnigeninrichtingen, zoals dat toen nog heette.”
Als de bouwmarkt begin jaren tachtig in zwaar weer belandt, neemt Van Beijnum de stap die hij altijd al heeft willen nemen: hij begint voor zichzelf. „Het was een slechte tijd, maar na een slechte tijd kan het alleen maar beter gaan, dacht ik.”
De eerste grote opdracht die hij in 1985 krijgt, is de uitbreiding van de reformatorische Eben-Haëzerschool in Rhenen. Met enthousiasme pakt hij de klus op. Er volgen nog veel projecten: onder meer in Barneveld, Amersfoort, Geldermalsen, Opheusden, Kampen, Kootwijkerbroek, Hollandscheveld, Nieuw-Lekkerland, Veenendaal, Gameren.
Hoe omschrijft u uw stijl?
„Als strak klassiek. In de architectuur zie je steeds golfbewegingen. Vooral in de jaren vijftig en zestig is er heel modern gebouwd. Nu bestaat er weer veel interesse voor de jaren dertig. Dat spreekt mij veel meer aan: sober en stijlvol. Ik kies in mijn ontwerpen voor traditionele materialen: baksteen, dakpan en altijd een gedeelte koperbedekking.”
Welk ontwerp ligt u na aan het hart?
„Ik heb heel goede herinneringen aan een woningbouwproject bij de voormalige watertoren in Rhenen: de Koerheuvel. Daar heb ik met veel enthousiasme aan gewerkt. Het ging om een wedstrijd. Mijn ontwerp bleef uiteindelijk over, samen met het plan van een architect uit Veenendaal.” Het betrof een ontwerp voor de herontwikkeling van een voormalige watertoren boven op de Utrechtse Heuvelrug en luxe woningen eromheen. De toren met zijn karakteristieke punt werd voor driekwart gesloopt en daarna weer in dezelfde stijl opgebouwd met appartementen.
Het project is voor Van Beijnum vooral bijzonder vanwege de „spanning die het vooraf veroorzaakte.” „Wij waren maar een klein bureau. In selectieprocedures wordt al snel naar de grote bureaus met de grote namen gekeken. Het toenmalige Rhenense college was niet voor mijn ontwerp, maar de gemeenteraad wel. De laatste gaf de doorslag. Ze kozen vanwege de kwaliteit voor mijn plan. Dat vind ik erg belangrijk. Het moet niet om de naam gaan, maar om de kwaliteit.”
Speelt de persoon toch niet een erg belangrijke rol bij de keuze van een architect?
„Zeker. Dat is ook belangrijk. Het contact tussen architect en bouwcommissie of opdrachtgever moet goed zijn. Je persoonlijkheid is daarbij bepalend.”
Voor hemzelf staat het plan op de eerste plaats. Zo geniet hij ervan als mensen voor zijn bureau kiezen vanwege eerder gemaakte ontwerpen. „Recent kwam er een telefoontje van een hervormde gemeente. Ze vroegen of ik de ontwerper was van de hervormde Biesboschkerk in Werkendam. Die stijl sprak hen aan. Of ik een keer langs wilde komen. Zoiets vind ik mooi.”
Een motto van Van Beijnum is: Luister naar de opdrachtgever. „Ik heb er geen enkele moeite mee om me zo veel mogelijk aan te passen aan de wensen die er leven. Het moet tenslotte hun kerk worden. Wil een opdrachtgever het gebouw strakker of moderner hebben, dan kunnen we daarvoor zorgen. Je moet samen tot een goed ontwerp komen.”
Waar ligt de grens voor u?
„Natuurlijk zijn er grenzen. Een kerk moet onmiddellijk herkenbaar zijn als een kerk. Als dat niet meer het geval is, is het niet mijn ontwerp. Een vierkante doos die er niet uitziet als kerk, zou ik niet willen tekenen.”
Een opdracht om zo’n ontwerp te maken, zou Van Beijnum niet aannemen. „Ik maak wel eens een uitschieter in de moderne of klassieke richting. Recent heb ik twee woonhuizen getekend voor particulieren in Rhenen en Bennekom waarbij ik veel vrijheid heb gekregen, maar dat zijn uitzonderingen.”
Hoe komt het dat u, zeker de laatste jaren, de ene reformatorische school na de andere en de ene kerk na de andere bouwt?
„Het heeft met mijn stijl te maken en met naamsbekendheid, maar ook met contacten. In de gereformeerde gezindte liggen scholen en kerken dicht bij elkaar. Het zijn vaak dezelfde mensen die in besturen en kerkenraden zitten. Zo gaat dat. En blijkbaar sluit mijn manier van werken aan bij de wens van veel mensen in de gereformeerde gezindte.”
Het aantal kerken naar het ontwerp van Van Beijnum is groot. Deze maanden is hij druk met de kerkgebouwen van de hersteld hervormde gemeenten in Putten, Elspeet, Schoonrewoerd, Zuilichem en Gameren, en de hervormde gemeenten in Wijk en Aalburg en in Gameren. Vorige maand kon hij het gebouw van de gereformeerde gemeente in Nederland in Barneveld overdragen en gisteravond werd de kerk van de gereformeerde gemeente in dezelfde plaats in gebruik genomen. Allemaal van de hand van Van Beijnum.
De lijst van projecten waar Van Beijnum aan werkte, past niet op één A4’tje. Heel de biblebelt is vertegenwoordigd, net als bijna alle kerkverbanden: Stavenisse (ogg), Ederveen (ggiN), Driebergen (cgk), Ochten (ggiN), Rhenen (gg en ggiN), Grafhorst (ogg), Werkendam (gg en hervormde gemeente) en zo gaat het nog even door.
Van Beijnum drukt zo een groot stempel op de kerkarchitectuur in Nederland. Hij zelf blijft er kalm onder. „Ik werk er met veel plezier aan.”
De Bijbelpassages over de bouw van de tempel door Salomo moeten u erg aanspreken.
„Zeker. Daar staat veel in. Ik zou me er graag nog meer in willen verdiepen. Salomo bouwde de tempel immers in directe opdracht van de Heere. Vol rijkdom. Voor de dag van vandaag doe ik er echter niet veel mee. Ik maak altijd onderscheid tussen drie periodes: de oudtestamentische bouw, toen alles heenwees naar de komst van Christus; de nieuwtestamentische bouw en de bouw van na de Reformatie. Die drie periodes zijn niet echt te vergelijken.”
Waar vindt u inspiratie voor uw kerkontwerpen?
„Als architect kijk je ook naar ontwerpen van anderen, met name uit het verleden. Uit die plannen haal ik de elementen die ik goed vind, maar het gaat altijd om een eigen vertaling. Door de jaren heen ontwikkel je een eigen stijl.”
De Ameronger werkt eraan om fris te blijven. „Ik bestudeer de laatste tijd graag de klassieke kerkbouw, uit de gotiek bijvoorbeeld. Ze worstelden toen al met zaken waar ik nu ook mee zit: bijvoorbeeld het geluid en de akoestiek.”
Van Beijnum verwondert zich erover hoeveel geld kerkgangers in vroeger eeuwen aan kerkbouw uitgaven. „Veel en veel meer dan nu; zeker als je dat in verhouding ziet. De architectuur was daardoor ook heel uitbundig. Ik loop er regelmatig tegen aan dat de budgetten die voor de bouw van een kerk beschikbaar zijn gedateerd zijn, omdat het soms jaren duurt voordat de bouw van een kerk van de grond komt. De bouw- en arbeidskosten stijgen ondertussen. Dat is zeker de laatste jaren het geval. Het geplande bedrag noopt dan soms om de plannen aan te passen. Overigens dwingt een krap budget wel om creatieve oplossingen te zoeken.”
Wordt er te sober gebouwd?
Zonder aarzeling: „Ja. Er zou best wat meer mogelijk moeten zijn. Doelmatigheid geeft de doorslag bij veel kerkbesturen. Het is waar dat te veel aandacht voor symboliek en kunst in de kerk de aandacht van het doel afleidt: de prediking en de sacramenten. Maar we moeten daarin niet doorslaan. Als er helemaal geen ruimte is om symboliek aan het gebouw toe te voegen, laten we wat liggen. Ik vind het erg mooi dat drie grote ronde ramen in het gebouw van de gereformeerde gemeente in Nederland in Barneveld beschilderd glas bevatten. Ze wijzen heen naar Jesaja 44:3 en 4 en Zacharia 4:7b. De nieuwe hervormde gemeente De Ark in Urk heeft twee grote glas-in-loodpartijen in het gebouw. Heel mooi.”
Wat zijn voor u belangrijke elementen bij het ontwerpen van kerken?
„De opstelling van de banken ten opzichte van de kansel is voor mij heel bepalend. In grote kerken ontkom je niet aan de waaiervorm of een afgeleide daarvan. Daarbij zit de gemeente in een boog om de preekstoel, om het Woord. In andere opstellingen wordt de afstand naar de kansel al snel veel te groot of zijn de zichtlijnen niet prettig. De waaiervorm is ook de meest logische en economische opstelling. Overigens moet je er in kleinere kerken voor waken dat de mensen links en rechts van de kansel niet tegenover elkaar zitten. Dat leidt af. Dat wordt vaak als bezwaarlijk ervaren. Voor mijn gevoel is de opzet zoals ik die voor de gereformeerde gemeente in Nederland in Barneveld gemaakt heb de best uitgewerkte. Daar kan ik qua opstelling niet veel meer aan verbeteren.”
Een kerk moet een toren of een torenspits hebben, vindt Van Beijnum. „Ik ben blij dat de vraag ernaar de laatste jaren steeds luider klinkt. Zelfs de luidklok keert weer terug. In de jaren tachtig is die behoefte weg geweest. Hoe het komt dat de torens nu weer terugkeren, kan ik niet verklaren. Misschien is het vanuit een besef dat de kerken een onderdeel van de samenleving vormen. Het heeft niets te maken met de houding ”Kijk hier zijn wij, met de borst vooruit”. Zeker niet.”
De architect kreeg recent opmerkelijke steun voor een toren bij een kerk. „Een gemeente had voor een ontwerp zonder toren gekozen. Een inwoner van die plaats -geen lid van die kerkelijke gemeente- begreep dat niet. Hij heeft een groot bedrag geschonken voor een ontwerp met een toren. Dankzij dat geld komt er nu toch een toren. Heel bijzonder.”
Een orgel is ook een kunststuk in de kerk.
„Dat vind ik altijd een boeiend onderdeel. Ik hou zelf erg van orgels en orgelmuziek. Ik vind de berekeningen van de akoestiek spannend. Probleem bij kerken is dat de verstaanbaarheid van de voorganger vooropstaat en dat de spraakverstaanbaarheid dingen van het gebouw vraagt die haaks staan op de belangen van zang en orgel. Het is altijd een strijd om het goede evenwicht te vinden. Ik streef ernaar een kerkgebouw een heldere uitstraling te geven.”
Het ene kerkgebouw is voor Van Beijnum het andere niet. Gedreven spreekt de Ameronger over zijn recent in gebruik genomen ontwerp voor de gereformeerde gemeente in Nederland in Barneveld. Het gebouw met 2500 zitplaatsen is een van de grootste kerken die hij heeft getekend. Gisteravond ging in de naastgelegen gereformeerde gemeente de kanselbijbel open.
Van Beijnum is niet onverdeeld gelukkig met de twee kerken aan de rand van het Veluwedorp. „Het zijn twee enorme gebouwen. Vooral het gebouw van de gereformeerde gemeente in Nederland is massief. Ik had een ontwerp gemaakt waarin de toren hoger en minder gedrongen was, maar door een beperking van de hoogte was dat niet mogelijk.”
De invloedrijke kerkarchitect kerkt zelf elke zondag in een eenvoudig houten gebouw: het onderkomen van de oud gereformeerde gemeente in Nederland in Leersum. „We zijn met nieuwbouwplannen bezig, maar die lopen vertraging op.”
Komt u de oude schuurkerkgedachte nog tegen: geen luxe kerkgebouw, want we moeten ooit terug naar de vaderlandse kerk?
„Nee, die gedachte zal hier en daar best nog leven, maar ik hoor er eigenlijk nooit meer over.”
Van Beijnum komt wel regelmatig het niet-reformatorische idee tegen dat een kerkgebouw iets heiligs heeft. „Als een oude kerk gesloopt moet worden, heeft vooral de oude generatie daar vaak moeite mee. Dat is begrijpelijk. Het gaat echter te ver als aan een gebouw iets wordt toegeschreven wat het niet heeft. De reformatoren hebben altijd beleden dat een gebouw niet meer is dan hout en steen. Dat moeten we niet vergeten; hoeveel herinneringen er ook liggen.”
Bent u trots op uw werk?
„Jazeker. Ik kan ervan genieten als er weer een gebouw staat.”
U gaat nog een aantal jaren door?
„Dat hoop ik wel te mogen doen.”
Er is veel veranderd in het vak, constateert Van Beijnum terugblikkend. „Toen ik begon, ging alles nog via de tekentafel. Tegenwoordig gaat alles digitaal. Ik moet daar nog steeds aan wennen. Dan zeg ik tegen de jongens hier: Draai eens wat uit. Dan kan ik het pas goed zien. Nu gaan we er al naartoe dat we zelfs driedimensionaal ontwerpen en tekenen. Ik betreur het wel dat ik als gevolg van regelgeving en dergelijke zo veel tijd in de procedures moet stoppen. Ik denk dat ik maximaal een derde van de tijd echt aan het ontwerpen ben. Het is veel vergaderen, terwijl architectuur mijn eigenlijke werk is.”