KAMPEN – Dat in een gereformeerd bolwerk als Kampen eens het remonstrantisme hoogtij vierde, is weinig bekend. Vertegenwoordigers van de stad waren tegen wil en dank aanwezig bij de Dordtse synode van 1618 en 1619. De vier predikanten van de stad waren namelijk gedaagd. Ze waren remonstrants.
Veel warmer dan gisteren zal het in de middeleeuwen niet zijn geweest in de 15e-eeuwse Sint-Annakapel in Kampen. Bij schaars licht luisterden zo’n zeventig geïnteresseerden, zittend in de kerkbanken, naar drie lezingen.
Het gemeentearchief van Kampen organiseerde een symposium over het protestantisme in de IJsselstad. Aanleiding vormde de nationale synode 2010, volgende week in Dordrecht. Tijdens de bijeenkomst ging drs. J. R. Bloembergen-Lukkes, universitair docent cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit Nederland, in op de geschiedenis van het protestantisme in Nederland. Drs. J. van Gelderen, oud-universitair docent kerkgeschiedenis aan de Theologische Universiteit Kampen hield een lezing over het protestantisme in de Hanzestad vanaf de Reformatie. Historicus drs. Th. M. van Mierlo behandelde de geschiedenis van de Kamper kerken.
In hun lezingen toonden Van Gelderen en Van Mierlo aan dat de Reformatie moeizaam tot stand kwam. Aanvankelijk werd alleen een kapel afgestaan aan de Kamper protestanten. Dat gebeurde na de inname van de stad door de graaf van Rennenberg in 1578.
Toen de graaf in 1580 overliep naar de Spanjaarden, bereikten antiroomse sentimenten een hoogtepunt in Kampen. In de Bovenkerk vond een heuse beeldenstorm plaats. Een uniek altaarstuk uit de Buitenkerk werd in de IJssel geworpen.
Vier decennia later had de Reformatie in de IJsselstad vaste voet aan de grond. Alle kerken waren ofwel in gebruik bij de Nederduytsch gereformeerde kerk, of door het gemeentebestuur voor andere doeleinden ingezet. Desalniettemin had de stad remonstrantse predikanten en een liberaal stadsbestuur.
Het roer ging definitief om toen de remonstrantse predikanten werden afgezet door de synode van Dordrecht. „Gaat weg”, zou synodepreses Bogerman hun hebben toegeroepen, aldus Van Gelderen.
De Vrede van Münster in 1648 gaf gereformeerden én lutheranen gelijke godsdienstrechten. De Kamper overheid moest de lutheranen, net als elders in Nederland, meer ruimte geven. Bovendien was na de dood van Prins Maurits in 1625 een milder klimaat ontstaan voor de remonstranten. In de stad kwamen zo geleidelijk meer kerkgebouwen van verschillende denominaties.
De Franse tijd, tussen 1795 en 1813, betekende een grote breuk met het verleden. Kerk en staat trokken voortaan gescheiden op. In Kampen kregen de rooms-katholieken de Buitenkerk tot hun beschikking. In de Patriottentijd koos de stad nadrukkelijk de kant van de patriotten. Toen Koning Willem I aan de macht kwam, was er weliswaar scheiding tussen kerk en staat, maar was de gereformeerde godsdienst leidend.
Dat de elite niet doorhad waar de behoeften van de samenleving lagen en dat de overheid in de kerk stevig de touwtjes in handen had, ziet Van Gelder als een belangrijke reden voor het ontstaan van de Afscheiding in 1834. De Cock institueerde een jaar later al een gemeente in Kampen. De stad was in 1849 ook een van de eerste met een afgescheiden lagere school. Later vestigde zich ook de Theologische School in de stad.
Voor de Kamper kerkgeschiedenis betekende de opkomst van de ‘kleine luyden’ na de Reformatie een nieuwe, grote verandering. De ene kerk na de andere verrees. Aanvankelijk in de oude binnenstad, maar in de 20e eeuw ook daarbuiten.
Zelf droeg de rooms-katholieke Van Mierlo eigenhandig bij aan de beeldenstorm, zo bekende hij gisteren. Krijtstenen beelden uit de Buitenkerk stonden in zijn jeugd opgeslagen in een klooster. De nonnen gaven zo nu en dan echter een beeld aan de straatjeugd. „Eigenhandig heb ik er een aan stukken gegooid en ben ermee gaan krijten”, aldus de historicus. „Zelfs een goede Roomse kan dus een beeldenstormer zijn.”