Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep

Jonge Calvijn trad uit de anonimiteit

 VAN STAM ...afscheid... Foto RD, Sjaak Verboom

VAN STAM ...afscheid... Foto RD, Sjaak Verboom

AMSTERDAM - In het Calvijnonderzoek hoef je maar even aan de boom te schudden en rijpe vruchten vallen je voor de voeten. Dat bleek vrijdag weer tijdens een symposium aan de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam, waar vier kerkhistorici hun onderzoek presenteerden. Dr. Frans Pieter van Stam sprak over Calvijns „plotselinge bekering”.
Op 48-jarige leeftijd blikt de kerkhervormer Johannes Calvijn in het voorwoord op zijn Psalmencommentaar terug op de „plotselinge bekering” die hij in zijn jonge jaren meemaakte. Wat bedoelde hij? Volgens Van Stam, die vrijdag officieel afscheid nam van de VU, was deze „plotselinge bekering” niet meer dan een tussenstap op weg naar een diep ingrijpende verandering in het leven van Calvijn. Guillaume Farel dwong hem in 1536 min of meer om predikant te worden in Genève. Pas enkele maanden later, tijdens de disputatie te Lausanne, brak Calvijn definitief met de kerk van Rome.

Van Stam: „In het onderzoek is Calvijns bekering tot dusver geïsoleerd behandeld als een zelfstandig moment, alsof die gebeurtenis qua gewicht alles overtrof. En bovendien benaderde men zijn bekering vrij sterk vanuit wat sinds de zeventiende eeuw binnen de piëtistische traditie bekering heet. Dit leidde tot een invulling waarin ook Calvijn langdurig in zielenstrijd verkeerde, terwijl hijzelf in ons voorwoord aangeeft toen „enige smaak voor de ware vroomheid” gekregen te hebben.”

De „plotselinge bekering” van Calvijn plaatst hij ergens in de zomer van 1533. Deze bekering hield volgens Van Stam in dat Calvijn zich verwant ging voelen met de zogeheten groep van Meaux. De groep had waardering voor het bijbels humanisme van Erasmus en was diep doordrongen van de noodzaak van hervorming van de kerk. Uitgangspunt was het Evangelie.

De eerste editie van Calvijns Institutie, die maart 1536 uitkwam, laat volgens Van Stam zien dat binnen de kring van Meaux vernieuwende theologie mogelijk was. „Na Calvijns fundamentele switch in de herfst van 1536 was een nieuwe editie nodig. Die kwam er in 1539. Zelfs in de titel wordt meegedeeld dat deze editie „voor het eerst beantwoordt aan de bedoeling.””

Calvijn trad uit de anonimiteit tijdens een disputatie met rooms-katholieken in Lausanne in oktober 1536, betoogde prof. dr. Erik de Boer. Voor die tijd gebruikte hij nog allerlei schuilnamen, zoals Charles d’Espeville, Passelius of Martianus Lucianus. Calvijn was vooral een geleerde, geen prediker.

Calvijn was tijdens de hele disputatie aanwezig - als assistent van Farel. „Als hij toch besluit zijn mond open te doen, schaart hij zich vierkant achter „mijn broeders Farel en Viret”. Bovendien spreekt hij als humanistisch geschoold theoloog en citeert (enigszins) uit eigen werk. Door dit optreden doorbrak hij de anonimiteit en bekende kleur als auteur van het niet bepaald onbekend gebleven boek, de ”Christianae religionis Institutio”. Hij zou zich nooit meer kunnen verbergen.”

Domineeskerk
De navolgers van Calvijn in de Nederlanden ontwikkelden in de zestiende- en zeventiende eeuw een vastomlijnde identiteit, stelde dr. Mirjam van Veen. Ze wisten in no-time een kerkelijke organisatie op te bouwen met een duidelijke ambtelijke structuur en een helder omschreven leer. Dit institutionaliseringsproces werd voltooid op de synode van Dordrecht in 1618.

De gereformeerde kerk ontwikkelde zich meer en meer tot een domineeskerk. Daarin lag echter ook haar sterkte, aldus Van Veen. „Tijdens de disputen met doperse opponenten aan het einde van de zestiende eeuw kostte het de academisch gevormde gereformeerde predikanten weinig moeite de vloer aan te vegen met de argumenten van de leken-voorgangers van de dopers. De vastgelegde leer stelde de predikanten bovendien in staat met een mond te spreken en ook dat verschafte hen ten opzichte van de doperse concurrentie een grote voorsprong.”

De ontwikkelingen op het gebied van de kerkelijke leer verliepen turbulenter. Veel mensen betwistten het besluit van de gereformeerde kerk om zich te binden aan belijdenisgeschriften. Ze oriënteerde zich steeds meer op Genève (Calvijn) en minder op Zürich (Bullinger), bijvoorbeeld wat de leer van de dubbele predestinatie betreft.

Uitverkiezing
In de gereformeerde kerk was de uitverkiezing van meet af aan een steen des aanstoots, stelde VU-historicus prof. dr. Fred van Lieburg. In Zeeland had al in 1591 op synodaal niveau een veroordeling plaats van een predikant, Gisbertus Samuels, die problemen had met artikel 16 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

Van Lieburg: „De lotgevallen van Gisbertus Samuels tonen aan dat er een zekere theologische diversiteit bestond onder de predikanten van de gereformeerde kerk. Die diversiteit was ingebed in de levendige openbare discussiecultuur van de Nederlandse samenleving en in netwerken van contacten die zich uitstrekten tot allerlei steden en dorpen van de Republiek.

Tegelijkertijd zien we een kerkelijk apparaat dat zich welbewust verdedigt tegen theologische opvattingen en pastorale figuren die de eenheid en rust van het gemeenteleven bedreigen. Synodale besluiten leerden dat er eigenlijk geen ruimte was voor twijfel aan de predestinatieleer, zoals die door Beza was uitgewerkt.”


Lees ook: Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek