NUNSPEET - De verhouding tussen de twee verschillende jeugdwerkorganisaties (jwo’s) binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) is vriendelijk, zo bleek dinsdagavond tijdens de synode van de CGK. Beide organisaties, het LCJ en de CGJO, bedienen hun eigen achterban en zijn op bestuursniveau regelmatig met elkaar in overleg. Tijdens het agendapunt waren verschillende jongeren aanwezig.
De deputaten voor kerkjeugd en onderwijs belichtten in hun verslag de activiteiten van beide organisaties. De CGJO is een veranderende organisatie die de afgelopen jaren zowel beleidsmatig als op organisatorisch gebied de achterban naderbij is gekomen, zo stellen de deputaten. De CGJO vond haar weg in een periode van financiële en personele veranderingen. Zij is fors in bemensing gekrompen waardoor de financiën gezonder zijn geworden. Maar het werk in de kerken heeft hieronder ernstig te lijden, aldus de deputaten.
Het LCJ is „een goed functionerende organisatie die dicht bij de achterban wil staan.” Er is een duidelijke visie ontwikkeld. Deputaten maken melding van het feit dat beide organisaties elkaar jaarlijks ontmoeten op bestuursniveau en elkaar informeren als het gaat over wisselingen in de staf vóór er een persbericht uitgaat. De jwo’s hebben grote moeite gedaan om de inkomsten in een tijd van wegvallen van overheidssubsidies te verhogen, maar zijn daar slechts gedeeltelijk in geslaagd, vinden de deputaten.
HHJO
Synodeleden informeerden over de status van de samenwerking tussen het LCJ en de HHJO, de jeugdorganisatie van de Hersteld Hervormde Kerk (HHK). De HHK betrekt materiaal van het LCJ ten behoeve van het eigen jeugdwerk. De commissie spreekt van een „voorlopige band”, maar volgens synodelid ouderling A.D. Aarnoudse lijkt het vrij definitief.
Rapporteur ds. M. J. Kater zei hierop dat de samenwerking voorzichtig is begonnen. „Er is wat gegroeid, op een gegeven moment kwamen er gezamenlijke activiteiten en dingen werden vervolgens zwart op wit vastgelegd. Er is behoedzaam geopereerd om niet voor de muziek uit te lopen.”
Er is heel veel door de beide jwo’s van de CGK gedaan, ondanks de financiële perikelen, zo stelde ds. Kater. „Het eigenlijke werk is gewoon doorgegaan.” Deputaten stellen dat de handhaving van de huidige subsidieverdeling het beste is. „We hebben twee jwo’s, en daarom fiftyfifty”, aldus ds. Kater.
De synode wilde het gesprek tussen de beide jwo’s over de visie op het jeugdwerk bevorderen. Synodepreses ds. D. Quant prees na afloop van de stemming de goede samenwerking tussen beide jwo’s, wat in het verleden wel eens anders is geweest, zei hij, wijzend op extra vergaderingen. Hij zag daarin vrucht van deputaten om samen met LCJ en CGJO „geestelijk te bouwen aan het jeugdwerk in onze kerken.”
Emeritaat Maris
De synode verleende prof. dr. J. W. Maris eervol emeritaat per 1 januari 2008. Binnen het kader van de gereformeerde theologie had dr. Maris zijn eigen accent, aldus ds. Quant in zijn toespraak. Hij wees op de verbinding en scheidslijnen tussen de gereformeerde theologie en die van de evangelische beweging. „U zocht in uw theologisch bezig zijn voortdurend naar de verbindingen tussen die twee, maar u ontkwam er ook niet aan om aan te geven waar de wegen uiteengingen. Vooral de laatste jaren, met het opkomen van de New Wine-beweging, de discussie over de charismata, de gaven van de Geest, de vervulling met de Geest hebt u -noodgedwongen- daar opnieuw veel tijd in gestoken en de kerken ermee gediend.”
De bijdragen van prof. Maris in de boeken ”Meer dan genoeg” (2004) en ”Geestrijk leven” (2006) laten volgens ds. Quant zien hoe zeer hij zich met de wortels van de Reformatie verbonden voelt. „Dat dit niet alleen betekende dat u een scheiding meende te moeten leggen tussen gereformeerd en evangelisch op dit punt, maar dat u ook moest ontdekken dat binnen de gereformeerde stroming verschillende lijnen ontstaan, zal u niet vreugdevol gestemd hebben.”
Verder prees hij de inzet van prof. Maris binnen het deputaatschap eenheid van de gereformeerde belijders in Nederland. Dr. Maris had daarin zitting vanaf 1986. In 1998, na de splitsing van beide deputaatschappen, werd hij voorzitter van ”binnenland”. In dat kader gaf hij leiding aan de samensprekingen met vertegenwoordigers van andere kerken. „En gaandeweg werd u beslister in uw gedachten over de kerk en u gaf daar uiting aan in de vergaderingen, in de samensprekingen, in de Wekker en bij het Gereformeerd Appèl. Ik denk dat niemand onder ons nog onbekommerd en zeker niet onnadenkend kan spreken over ”onze kerk”.”