In de jubileumenquête was -opnieuw- een aantal vragen opgenomen over de toekomstverwachting van EO-leden. Verwachten zij dat we aan de vooravond staan van een grote geestelijke opwekking? Of juist aan de vooravond van grote afval? Stoffels: „De uitkomsten zijn naar alle kanten afgevlakt. EO-leden lijken minder ”Maranatha” te zijn geworden.”
Tegelijkertijd lijkt het erop dat de (verwachte) trend naar „meer liberalisering, meer vrijzinnigheid” binnen de EO-achterban de laatste tien jaar „op sommige punten” niet heeft doorgezet. „EO-leden lijken toch wat strikter, wat meer orthodox te zijn geworden. Meer evangelisch orthodox, welteverstaan. Het traditionele gereformeerde geluid wordt minder sterk gehoord. Het gaat hier om de evangelische variant, met de nadruk op God als trouwe Vriend, op innerlijke vroomheid, ervaring, beleving.”
„Ik heb me zitten afvragen hoe het nu komt dat de trend die we tien jaar geleden meenden te ontwaren, niet heeft doorgezet”, zegt de hoogleraar godsdienstsociologie aan de Vrije Universiteit. „Twee mogelijke verklaringen. Eén: er is nu op een andere manier onderzocht dan in 1997. Toen door middel van mondelinge interviews, nu met behulp van vragenlijsten. Het is bekend dat de drempel voor het invullen van een vragenlijst hoger ligt, en hoger opgeleiden dit eerder zullen doen dan lager opgeleiden. Je ziet nu ook dat hoger opgeleiden beter vertegenwoordigd zijn.”
Nog een verklaring: „In de tijd van ”De boodschap en de kloof” telde de EO, als ik me niet vergis, nog rond de 600.000 leden. Nu 500.000. Het zou kunnen dat die 100.000 tot de rand behoorden, en de 500.000 die overbleven de kern uitmaken, die vast wil houden aan bepaalde orthodoxe uitgangspunten.”
Wat treft u het meest, als u de onderzoeksresultaten leest?
„Misschien dat je ziet dat er, zoals uit het rapport ”God in Nederland” ook blijkt, in Nederland groepen zijn die behoorlijk trouw blijven aan hun christelijke levensovertuiging. Die ook herkenbaar zijn als een afwijkende groep binnen het Nederlandse landschap.
Wat ik verder interessant vind, is dat ook een aantal predikanten bevraagd is. Opvallend is dat zij een tikje somber blijken, geen grote geestelijke groei bij hun gemeenteleden waarnemen, bijvoorbeeld. Terwijl EO-leden die bij zichzelf wel constateren. Je vraagt je dan af wat er aan de hand is. Het zou kunnen dat EO-leden erg gewend zijn om over zichzelf te denken in termen van geestelijke groei, en dan al snel de neiging hebben om aan te geven dat daar de laatste jaren sprake van was.
Aan de andere kant is het wel zo dat ook uit ”God in Nederland” naar voren komt dat mensen die vandaag nog gelovig zijn, dit vaak bewuster zijn dan voorheen.”
Een kwart van de oudste kinderen van EO-leden blijkt af te haken.
„Driekwart dus niet; die blijft binnen de traditie. Ik vind dat nog heel wat. We hebben op de VU eens een aantal van huis uit hervormde en synodaal gereformeerde studenten ondervraagd. Uit dat onderzoek bleek dat 50 procent, de helft dus, buitenkerkelijk was geworden.”
De EO-achterban wordt gekenmerkt door een welbewust geloof dat als waardevol, betekenisvol en levend wordt ervaren, stellen de onderzoekers. In hoeverre onderschrijft u deze conclusie?
„Ik kan me niet helemaal aan de indruk onttrekken dat hier sprake is van wishful thinking. Ik vind de inleiding van het rapport hier en daar ook wel erg gekleurd, en vraag me af of de conclusies wel steeds zo voortkomen uit de antwoorden. Neem het zelfvertrouwen, het zelfbewuste waarover de onderzoekers spreken. Is de groep echt zo zelfbewust, als uit de enquêteresultaten blijkt dat veel respondenten niet zo snel een buitenkerkelijke mee naar de kerk zullen nemen? Overigens vind ik het een prima rapport waarin een schat aan informatie te vinden is.”
De vraag rijst wel wat de onderzoekers nu precies onder ”geloof” verstaan. Een redelijk percentage respondenten lijkt bijvoorbeeld Allah op één lijn te stellen met de God van de Bijbel. En niet elk EO-lid blijkt de Bijbel (meer) in zijn geheel te aanvaarden.
„De EO-achterban is geen eenheid. Hij bestaat uit evangelische groepen, pinkstergroepen, Gereformeerde Bond, christelijk gereformeerd, maar ook midden-PKN. Dat blijkt hier opnieuw.”
De evangelische beweging is meer „mainstream” geworden, constateert Stoffels. „Zij heeft zich in vergelijking met 25, 40 jaar geleden meer aangepast aan de samenleving. Ze is nog wel missionair, maar anders. Jongeren spreken vrijmoedig over hun geloof -waarbij geldt: niet ingewikkeld doen-, ook op plekken waar het helemaal niet op prijs wordt gesteld, in een tv-programma met Paul Witteman of zo. In die zin lijkt de verlegenheid inderdaad voorbij. Evangelischen lijken zich meer geaccepteerd te voelen.”
Is de samenleving, vergeleken met 25 jaar terug, christelijker geworden?
„Nee. Misschien wat toleranter, maar meer: onverschilliger. Je doet maar. Overigens, laatst kreeg ik een e-mail van een verslaggever van The Wall Street Journal in Amerika. Of het waar was dat er in Nederland een opwekking gaande is.”
En?
„Niet dat ik weet, heb ik gezegd. „Maar wacht u op de cijfers van het onderzoek ”God in Nederland”, zei ik. En daaruit blijkt, weten we inmiddels, geen massale terugkeer tot het christendom. En het rapport ”De verlegenheid voorbij” biedt op dit punt evenmin veel reden tot optimisme.”