De aanhoudende ontkerkelijking, maar ook „remonstrantse tendensen” in onder meer bestaande evangelisatiemethoden vormen hiervoor de aanleiding, zegt de voorzitter van het deputaatschap, ds. A. Schreuder. „Als ik zie hoeveel kerken de Alphacursus omarmen, die afwijkt van het spoor van de gereformeerde belijdenis, denk ik dat wij een fundamenteel andere weg moeten gaan. Dat vraagt om doordenking: zo moet het niet, maar hoe dan wel?”
In de komende maanden bezint het deputaatschap zich diepgaand en in besloten kring op zijn taak en zal het verdere lijnen voor evangelisatie uitzetten. Het opzetten van de cursus is een van de onderwerpen die hierbij aan de orde komen.
De toekomstige commissie bezinning en toerusting gaat zich bezig houden met de verdere doordenking van inhoudelijke vragen op het gebied van evangelisatie. Daarnaast zal deze een taak krijgen in de toerusting van zowel evangelisten en plaatselijke gemeenten als van vrijwilligers die zich met classicale projecten bezighouden.
In elk geval enkele deputaten en de landelijk toeruster G. Baan nemen in de commissie plaats.
Schriftgetrouw
Hoe leggen we de eerste contacten? Hoe geven we een vervolg aan het contact als mensen belangstelling tonen? Vragen waarover het deputaatschap zich de komende tijd zal buigen.
De vraag die de Rijssense predikant nog het meest bezig houdt, is hoe om te gaan met hen die de stap naar de kerk willen zetten. Het idee van een alternatief voor de Alphacursus rijpte. „We zitten op een methode te wachten die de catechismus op een eenvoudige manier kan integreren in het evangelisatiewerk.”
Het concept van de Alphacursus spreekt hem aan. Maar in de inhoud kan hij zich „absoluut niet” vinden. Een Schriftgetrouwe cursus staat hem voor ogen. „Als we zoiets tot stand kunnen brengen, zal dat veel mensen verheldering en houvast geven. Evangelisten en cursisten.”
De toerusting van plaatselijke gemeenten door het deputaatschap zal vooral via de kerkenraden lopen, zegt ds. Schreuder. „We hopen daarbij duidelijk aan te geven waar inhoudelijk de grenzen gesteld moeten worden. Het gaat ons er vooral om dat een gemeente beseft dat ze een taak heeft. Dat die taak een Bijbelse opdracht is waarvoor wij niet hoeven te schrikken. Ik denk dat als wij ons meer bewust zijn van de grote waarde van het erfgoed dat de Heere ons in Schrift en belijdenis heeft toevertrouwd, de stap naar de invulling van het evangelisatiewerk niet zo groot is.”