Door de legitimering van rente is Calvijn van grote betekenis geweest voor de verdere ontwikkeling van het kapitalisme, zegt Graafland. „Dat geld vruchteloos is, zoals voorheen werd gedacht, wees Calvijn af. Een arbeider kan de productiviteit van zijn werk vergroten door over kapitaal te beschikken. De geldschieter die hem dat ter beschikking stelt, moet dan ook kunnen delen in de winst. Calvijn was dus tegen het renteverbod. Hij dacht nauwkeurig na over de economie.”
Calvijn was geen voorstander van een ongebreidelde vrije markt, aldus Graafland. „De overheid moet volgens hem zorgen voor sociale wetgeving. Niet de handel zelf maar de uitwassen ervan, zoals speculatie en verrijking, zijn in zijn ogen verfoeilijk.”
Spanning
Er bestaat spanning tussen Calvijns visie op consumptie en het huidige kapitalisme, stelt de Tilburgse hoogleraar. „Onze vorm van kapitalisme veronderstelt een onbelemmerd evenwicht tussen vraag en aanbod. Calvijn vond dat arbeid een roeping is; we moeten onze talenten gebruiken. Ook vond hij het gebruik van kapitaal om de arbeidsproductiviteit te verhogen goed. Maar hij had er wel moeite mee als welvaart, waartoe inzet van arbeid en kapitaal leidt, voor eigen genot werd aangewend. Hij veroordeelde extravagante consumptie en luxe.”
Calvijn moedigde wel aan om van het goede van de schepping te genieten. „De mens die aardse goederen veracht, vervreemdt van zichzelf; hij berooft zich van alle gevoel, schrijft Calvijn. Hij houdt de functionaliteit van goederen in het oog. Iemand mag een groot huis willen, omdat zijn familie groot is. Het bezitten van een auto zou Calvijn ook goedkeuren; hij is nuchter.”
Toch ligt het accent bij Calvijn niet op het streven naar rijkdom. „Het materiële dient om het doel van het menselijk bestaan te verwezenlijken: de verheerlijking van God en de dienst aan de naaste. Er moet dus tijd overblijven voor geestelijke dingen. De economie is ondergeschikt aan het geestelijk leven. Als we dat vertalen naar het kapitalisme van nu, dan hoort daar een lager welvaartsniveau bij.”
De Nederlandse arbeidsmoraal past bij Calvijns levensbeschouwing, stelt Graafland. „Calvijn legde de nadruk op eigen verantwoordelijkheid, maar hij heeft ook oog voor sociale voorzieningen. In Genève zette hij zich met de reformator Theodorus Beza in voor basisonderwijs en een algemeen ziekenhuis met gratis hulp voor armen. In onze moraal nemen eigen verantwoordelijkheid, het gebruik van talenten en scholing nog steeds een belangrijke plaats in. Toch is onze cultuur ook meer op genot gericht dan Calvijn zou voorstaan, met veel vakantie en vrije tijd.”
Weber
Graafland is het niet eens met de stelling van de Duitse socioloog Max Weber. Die zei dat de calvinistische verkiezingsleer een oorzaak is van welvaart. „Volgens Weber zijn calvinisten onzeker over hun uitverkiezing en zoeken ze in materieel succes een teken van Gods gunst. Ik denk wél dat calvinisten een sterk roepingsbesef hebben en zich bewust zijn dat God ieder mens zijn eigen, specifieke gaven schenkt om hun roeping te vervullen. Zij zien zich als rentmeesters die de door God geschonken gaven goed moeten gebruiken. Spaarzaamheid, ondernemerszin, eerlijkheid en zelfbeheersing zijn calvinistische deugden waar de economie wel bij vaart.”
Een bankier die wil werken in de lijn van Calvijn, heeft oog voor de mensen in nood, stelt Graafland. Calvijn handhaafde in dat geval het renteloos geld lenen. „Calvijn was er beducht voor om van bankieren het beroep te maken. De blootstelling aan verleiding is dan erg groot.”
Geld lenen om daarmee te gaan beleggen, is geen handelen in de lijn van de Geneefse hervormer, zegt Graafland. „Ik ben daarom geen voorstander van een beleggingshypotheek. Een belegger moet gespreid aandelen kopen en altijd een buffer hebben. Beleg alleen met het geld dat je niet nodig hebt, zodat je vrijheid houdt om al je primaire verantwoordelijkheden na te komen.”
Een calvinistische consument kent de deugd van de matigheid, aldus Graafland. „Dat leidt wel tot minder welvaart, maar tot meer welzijn. De hedendaagse burger moet beducht zijn voor de verleiding van geld. De consument moet financiële reserves aanhouden voor de nood van de ander. Hebzucht zit diep in de mens.”