Vollbehr (45), docent psychologie aan de Christelijke Hogeschool Ede, verrichtte het onderzoek samen met socioloog Wim Dekker. Hoe verliep de samenwerking? „Soms hadden we wel discussie over de interpretatie van bepaalde uitkomsten. Hij heeft als socioloog meer oog voor maatschappelijke ontwikkelingen en grote trends, terwijl ik eerder denk vanuit een ander perspectief: hoe kijkt een mens tegen bepaalde dingen aan?
Het blijkt dan lastig bepaalde uitkomsten te interpreteren. Uit het onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat predikanten vaker dan gemeenteleden denken dat gasten de kerkdiensten bezoeken. Wim wijt dat aan de vaak missionaire inslag van de predikant; ik ben geneigd te zeggen dat de predikant niet ziet dat het vaak dezelfde mensen zijn die gasten meenemen.”
Kloof
Nieuw is het onderzoek van Vollbehr en Dekker niet. Tien jaar geleden deed de toen 30-jarige EO een vergelijkbaar onderzoek, waarvan de uitkomsten zijn gepubliceerd in ”De boodschap en de kloof. Communicatie van het geloof in een postmoderne tijd” (1997). Een aantal vragen is opnieuw gebruikt, waardoor vergelijking mogelijk is.
Vollbehr: „Het rapport constateerde destijds een kloof tussen de prediking en wat men beleefde. Er was ruimte voor twijfel in het leven van christenen. Toen we anderhalf jaar geleden aan dit onderzoek begonnen, verwachtte ik dat deze trend zich zou doorzetten. Het opmerkelijke is nu dat er juist géén sprake is van een neergaande lijn. Men wordt juist weer strikter, gelooft de Bijbel van kaft tot kaft.”
Hij bladert wat in het rapport, wijst enkele opvallende uitkomsten aan. „De algemene tendens is toch wel dat het geloof groeit en de twijfel afneemt. Een opvallend gegeven vind ik wel dat 25 procent van de oudste kinderen onkerkelijk wordt. Een kwart, dat is écht heel veel.”
Vollbehr denkt niet dat de afgelopen jaren het geloof van EO-leden sterk is veranderd, zoals een krant zaterdag kopte. „Dat kun je niet zeggen. Wanneer je de uitkomsten van nu vergelijkt met die van tien jaar geleden, dan blijkt dat de inhoud van het geloof min of meer hetzelfde is gebleven. Wat wél is veranderd, is dat mensen wat strikter in hun opvattingen zijn geworden en nu actiever bezig zijn met hun geloof.
Daar komt nog bij dat we in 1997 een heel aantal onderwerpen niet hebben onderzocht. Over de verschuiving in geloofsbeleving en -opvattingen kunnen we pas over tien jaar wat zinnigs zeggen. Tenminste, als we met het vijftigjarig bestaan van de EO opnieuw een dergelijk onderzoek houden.”
Predikanten
Vollbehr en Dekker deden ook onderzoek onder predikanten en voorgangers. Hun opvattingen en geloofbeleving verschillen weinig van die van de andere EO-leden, ontdekten ze. Wel opvallend is, aldus Vollbehr, dat zij op onderwerpen als schepping en Schriftgezag veelal een ander standpunt innemen. Van de EO-leden gelooft 61 procent dat de aarde in zes dagen van 24 uur is geschapen, bij de predikanten die lid zijn van de omroep ligt dat percentage op 34. „Zij denken dus veel minder strikt dan hun gemeenteleden.”
De afgelopen jaren kreeg ook het werk van de Heilige Geest steeds meer aandacht binnen de kerken. Dat is ook terug te vinden in de cijfers, zegt hij. „Zo’n 80 procent van de bevindelijk gereformeerde predikanten geeft aan dat de Heilige Geest belangrijker is geworden in het geloofsleven. Meestal denken we bij het werk van de Geest aan evangelische groepen, maar het blijkt dat bevindelijk gereformeerden het vaakst rechtstreeks tot de Heilige Geest bidden.”
In korte tijd verschenen verschillende rapporten over geloven in Nederland. Wat voegt dit onderzoek daaraan toe?
„Er kan nooit genoeg onderzoek worden gedaan. Het onderwerp religie staat volop in de belangstelling en wij richtten ons op een specifieke, unieke groep: de EO-achterban. Met ruim 500.000 leden vormen zij een belangrijk deel van christelijk Nederland. We maken als het ware een detailfoto van hen.”
Er zijn ook veel christenen die geen lid zijn van de EO. Zegt dit onderzoek ook iets over hen?
„We kunnen met onze uitkomsten geen algemeen geldende uitspraken doen over kerken of christelijke groepen. Je kunt dus niet zeggen: „De evangelischen of bevindelijk gereformeerden vinden op dit punt dat…” Wel denk ik dat de uitkomsten van het onderzoek grotendeels ook gelden voor niet-leden. De trends zullen niet veel verschillen, denk ik, ook niet bij degenen die geen televisie hebben.”
Het onderzoek is dan ook van waarde voor alle christenen, vindt hij. „Het is niet alleen boeiend om te zien hoe anderen tegen bepaalde onderwerpen aankijken, ook is het zinvol de eigen geloofsbeleving daarnaast te leggen. Dat kan bezinning op gang brengen.”
Betekenis
Vollbehr hoopt dat het onderzoek resulteert in het beleggen van bijeenkomsten en congressen, zoals de EO vandaag in Lelystad doet, over de betekenis van de resultaten voor kerk en geloof. „Wat zegt het ons dat de kerken blijkbaar weinig missionair zijn? Dat mensen vragen hebben over God en het lijden, en dat maar liefst 41 procent van de predikanten die EO-lid is, aangeeft het te druk te hebben? Dat zijn onderwerpen waarover wel meer te zeggen is.”
Concrete plannen voor vervolgonderzoek heeft hij niet. „Maar het zou interessant zijn om te kijken naar de verhalen achter de cijfers, naar thema’s als ”jongeren” en ”opvoeding”. Het geloof is voor de EO-leden het meest van invloed op het terrein van de opvoeding. Ook blijkt dat de moeder de meeste positieve invloed op het geloof heeft.”
Om trends in de geloofsbeleving binnen de EO-achterban aan te kunnen wijzen, zou het volgens hem goed zijn het onderzoek over tien jaar te herhalen. Hij verwacht echter geen schokkende veranderingen. „Geloof zit veel dieper dan allerlei hypes en modetrends. Het is ook niet alleen maar een gewone menselijke activiteit: God is aan het werk.”