Ook in de Bijbel komt spot veelvuldig voor, aldus de hoogleraar. „Denk eens aan Jesaja, die in hoofdstuk 44 zegt dat afgodendienaars de ene helft van een stuk hout vereren en met de andere de kachel aanmaken. In die tijd was dat absoluut schokkend. De dichter van Psalm 115 spot ook met de afgoden, die wel ogen hebben maar niet eens kunnen zien. In het boek Samuël spot God Zelf met de Filistijnse god Dagon, door hoofd en handen af te breken. En Elia maant op de Karmel de priesters wat harder te roepen, omdat Baäl misschien even op het toilet zit.”
Geoorloofde spot is echter wel gebonden aan Jezus’ uitspraak in Matthéüs 7 iedereen te behandelen zoals men zelf behandeld wil worden. Den Hertog: „We moeten mensen respecteren, maar hun godsdienst onder kritiek stellen. In veel uitspraken van Theo van Gogh draaide het vooral om nodeloos provoceren. Dat is schoppen om de eigen leegte te bedekken. Soms proef ik bij critici van de islam alleen maar een diepe drang anderen te kwetsen. Dan is spot natuurlijk zeer destructief voor een samenleving.”
Was het van Elia geen nodeloos provoceren?
„Elia gebruikte de spot om te vragen: „Hoe lang hinken jullie nog op twee gedachten?” Hij richtte zich op het behoud van de ander.”
Tijdens de Reformatie werd ook veel gescholden. Luther schreef bijvoorbeeld dat Erasmus hem deed denken aan een koe die naar een nieuw hek stond te staren. En een tekenaar beeldde de paus af als een duivel. Den Hertog: „Men ging toen veel grover met elkaar om. Ik denk dat je nooit mensen belachelijk moet maken. Maar als iemand van Christus wordt weggehouden, kan een spottende spiegel helpen. Wel uit liefde en respect, want anders kun je geen gesprek voeren.”
Spot uit liefde en respect; dat lijkt tegenstrijdig.
„Dat respect gaat uit naar de persoon. En om die te dienen, is het middel van de spot soms nodig.”
Waar ligt de grens?
„Als je niet meer het beste voorhebt met de ander. Maar spot met een goed oogmerk is zeker gewettigd.”
Een van de pijnpunten is dat Mohammed niet mag worden afgebeeld. In onze eigen traditie komt de vraag voor of je Jezus mag tekenen. Hoe zou u een cartoon van Christus ervaren?
„Als vanuit de tekening duidelijk is dat die beledigend is bedoeld, zou ik dat kwetsend vinden. Tegelijk voel ik me beschaamd als christen, omdat we aan zo veel gewend zijn geraakt.
Ik denk dat wij naar de aard van ons geloof gematigder zijn dan moslims. De islam is theocratisch; alles moet uiterlijk aan bepaalde wetten moet voldoen. Christenen hebben niet die opdracht om Gods rijk hier te vestigen. Ze leven van genade en daarom zullen ze kritiek op kerk en geloof eerder als spiegel opvatten. Verder maant de Bijbel smaad te verdragen.
Het verbod op het afbeelden van de profeet komt overigens niet uit de Koran, maar uit de traditie. De tekening uit NRC Handelsblad waar het hoofd van Mohammed is gevormd door allemaal zinnetjes ”Dit is niet Mohammed”, vind ik daarom heel sterk. Daarin proef ik ook de zelfspot van ons westerlingen, die zo zuinig zijn op onze economische en politieke belangen dat we onze kritiek matigen.”
Vallen spotprenten volgens u onder de vrijheid van meningsuiting?
„Ja. En die zou ik ook niet willen beperken. Dan daag je alle tekenaars uit om de grenzen te zoeken. Ook moeten we niet voor tirannen zwichten. Wel vind ik dat je als samenleving elkaar in goede sfeer kritische vragen moet kunnen stellen.”
Hoort in onze democratie kwetsen er „af en toe bij”, zoals de hoofdredacteur van NRC Handelsblad vorige week schreef?
„Ja, tenzij het fantasieloos en grof is. Van groot belang vind ik ook zelfspot. In de Sovjet-Unie was een grapje over Stalin niet mogelijk. Maar die zelfrelativering leren we juist uit onze zondekennis. Ik begrijp best dat een christelijke krant geen spotprent publiceert over de scheuring in de hervormde kerk. Maar dat geeft ook aan dat we op dat punt jammer genoeg even geen zelfrelativering kennen.”
U neemt het nogal op voor Jyllands-Posten.
„De tekening die zelfmoordenaars teleurstelt, moet volgens mij wel kunnen. Alleen die waarop de tulband van Mohammed een bom blijkt te zijn, vind ik over het randje.”
Is er ook een recht op godslastering, zoals de France Soir vorige week schreef?
„Nee, maar wel een recht om vals geloof onderuit te halen. Zo nodig met spot.”
Hoe ziet u dit in het licht van alles wat „waarachtig, rein en welluidend” is, zoals Paulus zegt in Filippensen 4:8?
„Je moet Paulus met Paulus vergelijken. Ook hij maakt in de tweede Korinthebrief opmerkingen waar het sarcasme van afdruipt. Niet alle satire komt voort uit een plezier de ander tot de bodem af te breken.”
En het bevorderen van „de eer en het goede gerucht van de naaste”, zoals de Heidelbergse Catechismus aantekent bij het negende gebod?
„Daarom voel ik me ook wat ongemakkelijk bij de tekening van Mohammed met een bom. Maar we bevorderen het goede gerucht niet door alles toe te dekken.”
Is het verstandig zulke prenten af te drukken in een samenleving die sterk onder spanning staat?
„Achteraf weet een schooljongen het altijd beter dan de Amerikaanse president, zei Eisenhower eens. Als je ziet wat de gevolgen zijn, is het de vraag of dit zijn doel heeft bereikt. Anderzijds stellen deze tekeningen niets voor in vergelijking bij de kwetsende spot van Theo van Gogh. Er zit mijns inziens meer achter de wereldwijde verontwaardiging van moslims.”
Dit is het derde deel in een serie naar aanleiding van de islamitische verontwaardiging over de Deense spotprenten van de profeet Mohammed.