Dag van nationale rouw - 298 doden vliegtuigcrash MH17

Een klassiek drama

Een klassiek drama -  De kennis van Hebreeuws en Grieks is onmisbaar om de Bijbel in de grondtalen te kunnen lezen. Foto Matt Ragen

De kennis van Hebreeuws en Grieks is onmisbaar om de Bijbel in de grondtalen te kunnen lezen. Foto Matt Ragen

De theologische universiteiten van Apeldoorn en Kampen schaffen de vooropleiding klassieke talen af, zo is onlangs bekendgemaakt. Dat heeft pennen in beweging gebracht en de indruk is gewekt dat het hierbij om wat schermutselingen in de achterhoede gaat. Toch is de afschaffing van de vooropleiding een bedenkelijker teken dan menigeen wellicht vermoedt.

Laat ik eerst een paar grepen doen uit de geschiedenis van de relatie oude talen en theologie.

Aan het einde van de middeleeuwen is het Latijn al lange tijd dé internationale taal van Europa. Het is de taal waarin geleerden doceren en publiceren, waarin veel officiële regeringsstukken worden uitgevaardigd en vooral ook de taal van de kerk.

Een nieuwe ontwikkeling ontstaat in de tijd van de Renaissance. Aan het einde van de 15e en het begin van de 16e eeuw roepen humanistische geleerden op om terug te keren tot de bronnen. Dat wil zeggen dat zij de oorspronkelijke teksten uit de klassieke oudheid weer gaan bestuderen, niet alleen van Latijnse, maar ook van Griekse schrijvers.

Bovendien daalt in deze kringen de betekenis van de Latijnse Bijbel, de vulgata, zoals die binnen de Rooms-Katholieke Kerk veel gezag heeft gekregen. Mensen die enige ontwikkeling bezitten, willen de Schrift lezen in de oorspronkelijke talen, het Nieuwe Testament in het Grieks en het Oude Testament in het Hebreeuws. Vandaar dat deze talen in deze periode met groot enthousiasme worden bestudeerd. Zodoende ontstaan opleidingsinstituten (collegium trilingue) waar je de drie talen (Latijn, Grieks, Hebreeuws) kunt leren.

De reformatoren sluiten zich bij deze ontwikkeling van harte aan. Zij zijn van mening dat de kennis van de talen met name voor theologen en predikanten van groot belang is om de Schrift in de volkstalen te kunnen vertalen en in de prediking te kunnen uitleggen. Calvijn schrijft dan ook dat de nieuwe kennis van de Bijbeltalen in die tijd een bijzonder geschenk is van de Heilige Geest aan de Kerk.

Geen wonder dat ook na de Reformatie in de universitaire predikantsopleidingen veel aandacht geschonken wordt aan de drie talen. Het Latijn moet men beheersen, omdat dat de taal van de wetenschap is. Het Grieks is vooral van belang om het Nieuwe Testament te kunnen lezen in de grondtaal en ook om toegang te hebben tot de geschriften van de Griekse kerkvaders. Hebreeuws wordt onderwezen met het oog op de studie van het Oude Testament en ook om de oude Joodse geschriften te kunnen lezen.

Jip en Janneke

Er verandert weer iets wanneer het Latijn zijn betekenis als taal van de wetenschap gaat verliezen. In de loop van de 19e eeuw raakt Latijn langzaam maar zeker in onbruik als voertaal voor de colleges. In elk geval worden aan het begin van de vorige eeuw aan de universiteiten in ons vaderland vrijwel alle colleges in het Nederlands gegeven.

Toch blijven leidinggevende kringen in de onderwijswereld grote waarde hechten aan een klassieke opleiding als voorbereiding op het universitaire onderwijs. Dé vooropleiding voor de universiteit is namelijk het gymnasium, waar men Latijn en Grieks leert en meestal ook onderwijs kan krijgen in het Hebreeuws, al is dat niet verplicht. Inmiddels is in 1863 ook de hbs, de hogere burgerschool, ontstaan, waar geen klassieke talen worden gegeven.

Deze opleiding geeft echter pas in 1917 toegang tot de universitaire studie en dan ook nog niet in alle gevallen. Als iemand met een hbs-diploma bijvoorbeeld theologie wil studeren, moet hij eerst aanvullend Grieks en Latijn leren. Daartoe roepen de universiteiten vooropleidingen in het leven waar toekomstige theologiestudenten deze beide talen kunnen leren.

Het hele Nederlandse middelbaar onderwijs gaat op de schop, wanneer in 1968 de Mammoetwet wordt aangenomen. Oude onderwijsvormen verdwijnen dan en nieuwe ontstaan. Zo verdwijnt de hbs en komt het vwo –en gedeeltelijk ook het havo– ervoor in de plaats. Het gymnasium blijft bestaan, maar de ruimte voor het onderwijs in de klassieke talen wordt minder. Die tendens heeft zich vanaf de jaren 70 in de vorige eeuw doorgezet en de gevolgen daarvan worden steeds sterker merkbaar. Zeker, er zijn nog steeds leraren oude talen die hun leerlingen binnen de hun toegemeten ruimte een stevige basiskennis in Latijn en Grieks meegeven.

Het niveau van de kennis van de klassieke talen bij vwo-leerlingen loopt echter in toenemende mate fors terug. Maar wat wil je, als sommige leraren –waarschijnlijk om het vak aantrekkelijk te maken– met hun leerlingen de Latijnse vertaling van ”Jip en Janneke” (”Jippus et Jannica”) lezen of een Latijnse versie van het stripverhaal ”Asterix en Obelix”? De gevolgen zijn voorspelbaar. Het komt voor dat studenten die een zesjarige gymnasiumopleiding hebben gevolgd, minder van de klassieke talen weten dan studenten die door een stevige eenjarige vooropleiding zijn gekomen. Dat is dan wel het omgekeerde van wat de universiteiten in het verleden met het in het leven roepen van de vooropleiding bedoelden. Dat was immers een noodopleiding voor mensen die onvoldoende kennis hadden van Grieks en Latijn. Nu lijdt, soms, de klassieke opleiding via het gymnasium een noodlijdend bestaan.

Misverstanden

Uitgerekend in deze situatie valt het doek voor de vooropleiding klassieke talen bij de opleiding tot predikant. Nu heeft dit verschillende oorzaken die ik hier niet allemaal de revue kan laten passeren. Liever stip ik twee misverstanden aan die de berichten over de afschaffing van de vooropleiding mogelijk hebben opgeroepen. Dan komen enkele achtergronden vanzelf naar voren.

Het eerste misverstand is dat de overheid de theologische opleidingen verboden heeft om nog langer instroomeisen voor de klassieke talen te stellen. Dat is inderdaad op dit moment de feitelijke stand van zaken, maar het is niet de diepste oorzaak. De universitaire theologische opleidingen hebben namelijk de een na de ander in het recente verleden de vooropleidingseisen uit eigen beweging laten vallen. Daarachter zit een veranderende visie op wat nodig is voor de theologische studie en op de theologie als wetenschap.

Toen de meeste opleidingen de vooropleiding hadden afgeschaft, heeft het ministerie van onderwijs deze trend gevolgd en de al heersende praktijk tot regel gemaakt. Maar er zijn voldoende aanwijzingen dat de overheid was meegegaan, als de theologische opleidingen gezamenlijk erop hadden aangedrongen dat de vooropleidingseisen gehandhaafd moesten blijven. Met andere woorden: de opleidingen hebben dit ten diepste aan zichzelf te wijten.

Het tweede misverstand is dat de universiteiten van Apeldoorn en Kampen met ingang van de nieuwe cursus een opleiding theologie zouden aanbieden waarbij de klassieke talen niet of nauwelijks een rol spelen. Dat is beslist niet het geval. Het onderwijs in deze talen zal –althans aan deze instellingen– zo veel mogelijk worden ingebouwd in de bestaande opleidingsstructuur.

Dat heeft allerlei gevolgen: er zal minder ruimte zijn voor de kennis van Latijn, Grieks en Hebreeuws en daardoor zal de kennis van deze talen zeker verminderen. Over andere vakken zal de kaasschaaf worden gehaald of ze zullen helemaal verdwijnen. Waarop moet ‘bezuinigd’ worden: op de Schriftuitleg, de kennis van en het inzicht in de leer, de praktische vakken? Dit is een pijnlijke puzzel en we moeten heel veel inleveren.

Waarde

Dat brengt ons bij de laatste vraag: Waarom is de kennis van de talen zo belangrijk voor predikanten? Is het niet veel beter onze opleidingen van deze ballast te ontdoen en de taleneis helemaal te laten vallen? Er zijn toch verschillende goede predikanten die weinig of geen kennis van de klassieke talen en het Hebreeuws hebben? Dat laatste is helemaal waar. Toch is dat binnen de kerken die in de traditie van de calvinistische reformatie staan nooit als een ideale situatie gezien.

Het uitgangspunt is altijd geweest dat de gewone predikantsopleiding gestempeld moest zijn door wetenschappelijke kennis én vroomheid. En bij die nadruk op wetenschappelijke kennis en vaardigheden hoort ook de kennis van het Hebreeuws en de oude talen. Waarom?

Bij het beantwoorden van die vraag concentreer ik mij maar op de motieven die volgens mij het belangrijkst zijn. In de eerste plaats is de kennis van Hebreeuws en Grieks onmisbaar om de Bijbel in de grondtalen te kunnen lezen. Dat is niet alleen van betekenis om te kunnen nagaan wat er werkelijk staat, maar ook om een gefundeerd oordeel te kunnen geven over de vele Bijbelvertalingen die er vandaag zijn en die in de gemeente gebruikt worden. In de tweede plaats is de kennis van de Bijbeltalen van belang bij de verkondiging van het Woord van God in de zondagse eredienst. Hoe zal een predikant het Woord met gezag kunnen verkondigen als hij niet goed weet wat de tekst eigenlijk zegt?

Geestelijk drama

Het zal duidelijk zijn dat ik persoonlijk de terugloop van de klassieke vorming in ons onderwijssysteem én de afschaffing van de vooropleiding voor de theologische studie een klassiek drama vind. Tegelijkertijd besef ik echter dat deze ontwikkeling waarschijnlijk onomkeerbaar is, zodat ik me er dus bij neer zal moeten leggen.

Dat is echter niet mijn laatste woord. Als door deze ontwikkeling de kennis van de grondtalen van de Bijbel afneemt –en dat valt te verwachten– dan heeft dat naar mijn overtuiging rechtstreeks gevolgen voor het geestelijk welzijn van de gemeente. In de nabije toekomst zullen namelijk mensen predikant kunnen worden die niet geleerd hebben de Bijbel in de oorspronkelijke talen te lezen. Erg kort door de bocht gezegd: er kunnen predikanten komen die hun communicatieve competenties goed hebben ontwikkeld of uitstekende analyses weten te maken van de legering van hun hoorders. Dat zijn dingen die uiteraard op zichzelf genomen beslist belangrijk zijn. Maar wat betekent dat nog als ze niet meer met kennis van zaken weten uit te leggen wat de tekst werkelijk zegt. Als dat gebeurt, is dat naar mijn overtuiging geen klassiek drama meer, maar een voluit geestelijk drama.

De auteur is hoogleraar ambtelijke vakken aan de Theologische Universiteit Apeldoorn.


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek