Toch gaat Van der Laan na twee bezoeken bij hem thuis ermee akkoord de gesprekken op papier uit te werken. „Ik zoek de publiciteit niet, maar besef dat ik die nu niet mag vermijden. Het zou echter goed zijn als ook mijn vrouw aandacht krijgt. Zij is ook intens betrokken bij de ‘goede zaak’.”
Het tekent de man, die in alle stilte en bescheidenheid zijn gedegen werk verricht voor het beraad. Dit overlegorgaan tussen een aantal christelijke hulpverlenende instanties werd in de jaren negentig van de vorige eeuw opgericht ten behoeve van het pastoraat rond homoseksualiteit. De recente toetreding van de christelijke homobelangenorganisatie RefoAnders en de stuurgroep homoseksualiteit van de VGS bracht nieuw bloed en nieuwe energie.
Twee vroege persoonlijke ervaringen zijn achteraf gezien erg belangrijk voor Van der Laan. Hij beschrijft ze al in zijn in 2007 verschenen brochure over buitenkerkse theorieën over homoseksualiteit. „Tijdens de officiersopleiding in militaire dienst moest ik in 1956 een studiedag militair tuchtrecht bijwonen. Een van de docenten drukte ons op het hart om homoseksuele soldaten, als die bij ons op het matje zouden komen, fair en zonder minachting te behandelen.”
De tweede ervaring had hij in 1980. „Ik liep op een station rond en mijn oog viel op een boodschap die op een muur was gekalkt: ”Orthodoxe christenen zijn homohaters”. Ik voelde me aangesproken. Was ik een homohater? Nee, dat was ik zeker niet. Maar ik besefte op dat moment goed dat ik die onbekende schrijver daar nooit van zou kunnen overtuigen. Ik zou in zijn ogen altijd een vijand zijn, welke pogingen ik ook zou doen om een brug te slaan. Dat besef van onmacht is me bijgebleven.”
Voordat u zich grondig ging verdiepen in het thema homoseksualiteit heeft u jarenlang gewoond en gewerkt in Sierra Leone. Wat hebt u daarvan geleerd?
„Veel. Ik noem slechts één punt: concreet zijn. Veel Afrikanen waarderen dat. Westerlingen zijn vaak veel abstracter. Zodoende ben ik ook met andere ogen naar de Bijbel gaan kijken. Het gevaar bestaat dat we over tal van teksten heen lezen en de kracht er niet meer van zien. Maar kijk eens naar Jesaja 55. De profeet spreekt daar concreet over het gratis aanbod van drinken. We horen als het ware de koopman op de markt zijn waar aanprijzen. En pak Psalm 42 er eens bij. Zie je dat opgejaagde hert niet voor je? Denk ook aan Psalm 84. Je ziet het zo voor ogen dat de zwaluw naar zijn nest vliegt.”
Na terugkeer uit Sierra Leone in 1971 vinden Van der Laan en zijn vrouw onderdak in Oegstgeest en besluiten daar naar de Gereformeerde Kerken in Nederland te gaan.
Midden jaren zeventig van de vorige eeuw sluit het echtpaar zich aan bij het Confessioneel Gereformeerd Beraad. „Wie verontrust is over de koers van de kerk komt al snel uit bij dit beraad. Het kerkelijk rapport over het Schriftgezag in 1980 heb ik grondig bestudeerd. Daardoor werd ik wantrouwend ten opzichte van de kerkelijke leiding. Maar met mijn plaatselijke predikanten had ik geen problemen. Daarom had ik geen behoefte om van kerk te veranderen.”
Nadat de predikanten zijn vertrokken, krijgt het echtpaar Van der Laan in 1988 een brief waarin de kerkenraad van de plaatselijke gereformeerde kerk voorstelt dat de gemeente zich gaat bezinnen op homoseksualiteit, met als inzet de aanvaarding van homofielen in de ambten. „Dat bezinningsproces ontspoorde en de besluitvorming vergrootte de problemen.” Reden voor het daartegen protesterende echtpaar Van der Laan om vanaf die tijd in Rijnsburg te gaan kerken.
Toch laten de Van der Laans het er niet bij zitten. Tot op synodaal niveau probeert het echtpaar steun te krijgen voor zijn bezwaren tegen de gang van zaken. Tevergeefs. „De wijze waarop de synoden zijn omgegaan met de controverse heeft mij teleurgesteld. De traditionele visie op homoseksualiteit staat veel dichter bij de Bijbel dan de moderne. Nieuw exegetisch onderzoek is vergezocht en speculatief. Ik ben geschokt door de wijze waarop velen de Bijbelse waarschuwingen negeren. In Leviticus en 1 Korinthe wordt de ernst van de homoseksuele zonde dik onderstreept.”
De problemen in Oegstgeest brengen de Van der Laans ertoe om contact te zoeken met organisaties als EHAH –nu Different–, Onze Weg en Exodus Europe. Nog steeds is het echtpaar actief betrokken bij deze evangelische hulpverleningsorganisaties.
De laatste jaren staat het thema homoseksualiteit in de gereformeerde gezindte volop in de schijnwerpers. Ziet u parallellen met de discussie binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland in de vorige eeuw?
„Natuurlijk. We zien dezelfde controverses en dezelfde frontlijnen. Alleen de snelheid waarmee de omslag naar acceptatie van homoseksualiteit zich voltrok in de Gereformeerde Kerken in Nederland is uniek, omdat die ontwikkeling samenviel met een periode waarin de homobeweging in een overwinningsroes verkeerde en de moderne visie op homoseksualiteit in de kerken veel aanhang had. Dat is een groot verschil met de huidige situatie. De homobeweging is nu minder optimistisch en de moderne visie wordt nu vaker weersproken.
Daarnaast heeft in de Gereformeerde Gemeenten de Schrift nu veel meer gezag dan destijds in de Gereformeerde Kerken in Nederland. Wel verschilt de situatie tussen de verschillende reformatorische kerken. Wat dat betreft denk ik dat het nu vloed is in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt en in mindere mate in de Christelijke Gereformeerde Kerken.”
Hoe kijkt u aan tegen het opnieuw doordenken van Bijbelteksten die over homoseksualiteit gaan?
„Er is de laatste vijftig jaar al veel nieuw onderzoek gedaan naar wat de Bijbel over homoseksualiteit zegt, vooral in Engeland en de VS. Het initiatief voor dit onderzoek kwam vooral van aanhangers van de moderne theologische visie. Dat moet te denken geven. Gelukkig zijn er ook goede publicaties die de traditionele exegese bevestigen. Als een kerkelijke commissie de opdracht krijgt de recente internationale literatuur na te gaan en samen te vatten, dan is dat zeker zinvol.”
Een terugkerend punt in de discussie is de vraag welke ruimte er moet zijn voor homoseksuele relaties van liefde en trouw.
„Als de ervaring de boventoon gaat voeren boven wat de Schrift zegt, dan wordt zo’n relatievorm inderdaad geaccepteerd. Laten we echter vasthouden aan het patroon van Genesis 1 en 2. De polariteit tussen man en vrouw is een waardevol gegeven, waar we niet genotshalve of gevoelsmatig afstand van mogen nemen. Een menselijk verbond van liefde en trouw heeft niet automatisch de goedkeuring van God. Als de aard van zo’n verbond ingaat tegen Gods wil, kan Hij dat nooit goedkeuren. Denk maar aan een overspelige relatie.”
Zowel uit uw boek uit 2002, over de vraag of kerken homoseksuele levensverbintenissen mogen zegenen, als uit uw brochure uit 2007 valt op te maken dat u vindt dat kerken te weinig oog hebben voor de discussies buiten de kerk over homoseksualiteit. Hoezo?
„Er zijn parallellen tussen de omslag in visie buiten de kerk en die binnen de kerk. Van openlijke afkeuring veertig jaar geleden ging het, via stilzwijgend gedogen, naar volledige goedkeuring van homoseksuele relaties buiten de kerk en vergaande goedkeuring binnen veel kerken.
Verschillende synodes waren niet kritisch genoeg ten opzichte van de moderne visie zoals die buiten de kerk werd aanvaard. Die kritische kijk moet alsnog gebeuren. Er is nog steeds reden om die moderne visie zorgvuldig te bestuderen. Die is namelijk al opgedronken door homo’s binnen de kerkelijke gemeenschap.
Verder is het van belang om te zien hoe het profiel van de homobeweging steeds verandert. Zo is in de loop van de twintigste eeuw in het spreken over homoseksualiteit de aandacht verschoven van gedrag naar oriëntatie. Ook spreekt de homobeweging inmiddels niet meer over geaardheid, maar over identiteit. Er is een rusteloze zoektocht bij de homobeweging naar een optimaal profiel, dat leidt tot algemene acceptatie van homoseksualiteit.”
Waarom is het volgens u belangrijk om de homoseksuele oriëntatie als ongewenst te blijven zien?
„Het is goed om homoseksueel gedrag en homoseksuele oriëntatie van elkaar te onderscheiden. Over de oriëntatie bestaat nog veel verschil van mening, ook binnen ons beraad. Ik noem de oriëntatie ongewenst. Ik laat mij daarbij leiden door de overweging dat ze de weg naar een huwelijk en het ouderschap bemoeilijkt of blokkeert. We mogen die twee zaken overigens niet zien als iets waar we recht op hebben. Ze blijven een geschenk van God.”
RefoAnders timmert de laatste jaren aardig aan de weg. Moet de gereformeerde gezindte daar gelukkig mee zijn?
„Ik denk dat het een goed initiatief is, omdat RefoAnders op pastoraal gebied doet wat de kerken hebben laten liggen. Pastoraat en onderwijs zijn hard nodig. Ik heb grote waardering voor Johan Quist. RefoAnders heeft ook een goed bestuur. Verder ben ik blij dat Herman van Wijngaarden actief gaat meedoen in het werk van de stichting.”
Waarom stelt de seculiere homobeweging zich zo agressief op richting orthodoxe christenen?
„De homobeweging gelooft er allereerst heilig in dat haar visie de enig juiste is. Daarnaast kent ze absoluut gezag toe aan de eigen ervaring: ik ben nu eenmaal zo en dat voelt goed. Om die reden kiest ze nu voor de homoseksuele identiteit als aanduiding: de eigen ervaring moet onbetwist gezag geven.
De homobeweging staat daarin tegenover christenen die absoluut gezag toekennen aan dat wat in de Bijbel staat geschreven. De strijd tussen de homobeweging en de gereformeerde gezindte vindt dus plaats tussen die twee polen waar mensen gezag aan kunnen toekennen: de eigen ervaring aan de ene kant en Gods openbaring aan de andere kant.
De homobeweging ergert zich overigens niet alleen aan orthodoxe christenen, maar ook aan de Rooms-Katholieke Kerk en de islam. Met deze drie is er een onoverbrugbare kloof. Het is waar dat de homobeweging in Nederland haar aanvallen vooral richt op de orthodoxe christenen. Vermoedelijk omdat die in haar ogen de zwakste van de drie zijn.”
De gereformeerde gezindte voelt zich bedreigd door het COC, mede omdat die club nu in minister Pla-sterk een trouwe bondgenoot lijkt te hebben. Terecht?
„Een groot aantal seculiere Nederlanders treedt inderdaad op als bondgenoot van de homobewe-ging. Daarbij speelt aversie tegen het christendom vaak een rol. Het is de vraag hoe lang het bondgenootschap tussen seculieren en de homobeweging zal duren. Ik heb soms het gevoel dat de liefde al aan het bekoelen is.
Met enige overdrijving zeg ik dat de homobeweging geen rust zal hebben tot alle orthodoxe christenen monddood zijn gemaakt en een aantal bladzijden uit de Bijbel is gescheurd. Wat minister Plasterk betreft, ik heb moeite met een aantal van zijn daden en woorden. Maar laten we niet vergeten dat de homobeweging ook moeite heeft met bepaalde daden van hem.
Wel vormt voor mij de controverse over homoseksualiteit de zichtbare kant van een onzichtbare, geestelijke strijd. De strijd gaat niet zozeer tegen mensen van vlees en bloed. Militanten van de homobeweging zijn niet de echte vijand. Er is een geestelijke strijd gaande. Dat mag aan onze kant leiden tot bescheidenheid. In termen van het schaakspel gesproken: ik ben daarin slechts een pion.
Zeker, we moeten ernst maken met wat de Bijbel zegt over homoseksualiteit. Tegelijk moeten we anderen met liefde, respect en geduld tegemoet treden. Laat confrontatie in bescheidenheid onze karakteristieke houding zijn.”
Die confrontatie lijkt zich vooral voor te doen in het onderwijs. Is het verstandig geweest van de VGS om haar visienota aan te bieden aan minister Plasterk?
„Ja. Soms is het de plicht van een christen om de confrontatie aan te gaan. Dat was nu het geval, want de kabinetsnota ”Gewoon homo zijn” schenkt buitengewoon veel aandacht aan het homobeleid op scholen. Dat is niet verwonderlijk, want de strijd met betrekking tot het accepteren van homoseksuele gevoelens ligt juist rond de middelbareschoolleeftijd. Als jonge mensen alleen de boodschap van de homobeweging horen, blijft die verzekerd van aanwas.
Ik denk ook dat het goed is als iedereen terdege kennisneemt van de inhoud van de kabinetsnota. De gereformeerde gezindte kan zich niet koesteren in een isolement. Onze muren konden misschien de propaganda van het COC tegenhouden, maar wetgeving niet.
Grote moeite heb ik wel met het woord ”gewoon” in de titel van de kabinetsnota. De titel suggereert dat we in Nederland homoseksualiteit niet meer vreemd vinden en dat mensen die dat wel vinden, een probleem hebben. Het is voor mij onbegrijpelijk dat de Christen-Unieministers dit hebben geslikt.”
Al meer dan twintig jaar verdiept u zich samen met uw vrouw in dit thema. Hoe heeft u dat zo kunnen volhouden?
„Mijn vrouw en ik zijn diep doordrongen van het belang en de ernst van de problematiek rond homoseksualiteit. Wij zijn dankbaar dat we daar een rol in mogen spelen. We hebben die rol niet gezocht. Die taak werd op onze weg geplaatst.”
Levensloop
Van der Laan groeit op in Rotterdam. Hij is acht jaar als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt en maakt bewust de Hongerwinter mee.
In 1944 maken zijn ouders, die aangesloten zijn bij de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN), een kerkscheuring mee. Die raakt hen diep. Ze gaan uiteindelijk niet mee met de Vrijmaking, maar blijven lid van de GKN.
In 1950 gaat Van der Laan economie studeren in Rotterdam. Hij is actief in het studentenleven en volgt onder andere colleges van prof. dr. J. P. A. Mekkes, een vooraanstaande denker van de reformatorische wijsbegeerte – een man die hij zeer waardeert.
Na het vervullen van zijn militaire dienstplicht, een studie ontwikkelingshulp aan het Institute of Social Studies in Den Haag en een economiestudie in de VS vertrekt Van der Laan naar Sierra Leone. Daar doceert hij tussen 1959 en 1971 in de hoofdstad Freetown economie en statistiek. Hij ontmoet in dit Afrikaanse land een docente geschiedenis uit Zwitserland. Zij treden er in het huwelijk en krijgen twee zoons. Na twee staatsgrepen verslechtert de politieke situatie en gaat het gezin terug naar Europa. Van der Laan krijgt een baan bij het Afrika-Studiecentrum in Leiden en gaat wonen in Oegstgeest. In 1997 gaat hij met pensioen. In 2003 wordt hij secretaris van het Beraad Bijbel en Homoseksualiteit, een functie die hij nog steeds vervult. Voorzitter van dit beraad, dat wil vasthouden aan de Bijbelse visie op homoseksualiteit, is Krijn de Jong.