Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep

Calvijn niet genadeloos voor andersdenkenden

 PUTTEN – Tientallen theologen en kerkhistorici uit de hele wereld zijn tot zaterdag in Putten voor het congres ”Saint of Sinner? The Reformation of John Calvin (1509 1564)”. De driedaagse conferentie markeert het begin van het Calvijnjaar 2009. Foto Erik Kottier
 1 van 4  

PUTTEN – Tientallen theologen en kerkhistorici uit de hele wereld zijn tot zaterdag in Putten voor het congres ”Saint of Sinner? The Reformation of John Calvin (1509 1564)”. De driedaagse conferentie markeert het begin van het Calvijnjaar 2009. Foto Erik Kottier

PUTTEN - Het blijft een hardnekkig beeld. Calvijn als een soort Robespierre, genadeloos voor andersdenkenden. Genève had een hoge prijs moeten betalen voor de invoering van de kerkelijke tucht. „In werkelijkheid was de Spaanse Inquisitie veel erger”, weet de Amerikaanse kerkhistoricus dr. Scott Manetsch. „De tuchtmaatregelen in Genève waren bedoeld om de heiligheid van de christelijke gemeenschap te bewaren en om zondaren te redden. Niet te vernederen.”
Manetsch schetste vrijdag op de tweede dag van het internationale Calvijncongres in Putten de ontwikkeling in de duizenden tuchtmaatregelen die het Geneefse consistorie van predikanten in de loop van de zestiende eeuw nam. De meest toegepaste vorm was zondaren zes maanden de toegang tot het Heilig Avondmaal te onthouden. Opvallend is dat het consistorie vaker ruzie, dronkenschap, dansen en gokken veroordeelde dan dwalingen en ketterijen. „De predikanten en ouderlingen richten zich vaker op de moraal dan op de leer.”

De aandacht voor de moraal van de kerkleden was niet alleen bedoeld om het gedrag te veranderen, maar vooral ook het hart. Tucht was een belangrijk instrument om mensen terug naar God te brengen en om ontheiliging van het Avondmaal te voorkomen. Zij die onder de kerkelijke tucht stonden, werden bovendien onderwezen in de christelijke leer. Het minste wat van hen verwacht werd, is dat ze het Onze Vader en het Apostolicum konden opzeggen.

Predikanten en ouderlingen waren nauw betrokken bij het leven van hun gemeenteleden, aldus Manetsch. „Voor Calvijn was de tucht een geestelijk medicijn van God voor het hart en voor de geestelijke groei en bescherming van zwakke mensen. In de pastorale zorg in Genève nam morele tucht een cruciale plaats in.”

Hoogmoedige Eva

Prof. dr. Christoph Burger, hoogleraar kerkgeschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, vergeleek Calvijns uitleg van het Magnificat -de lofzang van Maria- met die van Luther. Omdat Calvijn geen Duits sprak, is het volgens hem onwaarschijnlijk dat Calvijn de vertaling en exegese van Luther kende.

Toch zijn er belangrijke overeenkomsten, aldus Burger. Beide reformatoren keren zich tegen de in de late middeleeuwen populaire uitleg dat Maria door haar nederigheid een antitype van de „hoogmoedige” Eva is. Ook stellen ze allebei dat de nederigheid van Maria duidt op een lage sociale staat, die ze bewust heeft aanvaard. Het aanroepen van Maria als de koningin van de hemel, wijzen Luther en Calvijn dan ook af.

Was Calvijn een hervormer van exegese? Volgens prof. dr. John L. Thompson uit de Verenigde Staten wel, maar niet op een „radicale of revolutionaire” manier. Calvijn sloot nauw aan bij de exegese van anderen Bijbelcommentatoren, zoals Erasmus, Bucer, Bullinger en Melanchthon, maar hij legde eigen accenten. Zo keerde de reformator zich tegen het „spel” van allegoriseren van Bijbelteksten. Toch ontkwam hij er zelf ook niet altijd aan, aldus Thompson.

Verwerping Prof. dr. Emidio Campi (Zürich) ging in op de invloed van Calvijn op de vorming van de gereformeerde belijdenis. Een onderdeel van deze belijdenis is de uitverkiezing van eeuwigheid, een onderwerp waarover Calvijn van mening verschilde met zijn „oude medestrijder” Heinrich Bullinger. Die benadrukte meer de universaliteit van Gods aanbod van genade in Christus. Wie niet tot Hem komt, is verworpen.

De christologie van Calvijn laat een balans zien tussen vleeswording en kruis aan de ene kant en opstanding en heerlijkheid aan de andere kant. Het is volgens de Amsterdamse hoogleraar prof. dr. C. van der Kooi belangrijk dat de moderne gereformeerde theologie oog blijft houden voor de vele kanten van Christus’ werk en zich niet concentreert op één aspect daarvan. „Bij Calvijn zien we dat theologie niet kan worden teruggebracht tot een theologie van het kruis, een theologie van de opstanding of een theologie van de Geest.”

Hoofdzonden

Dr. Max Engammare van uitgeverij Droz in Genève sprak over ”Calvijns zeven hoofdzonden”. De middeleeuwse kerk rekende luiheid, wellust, gierigheid, jaloezie, vraatzucht, woede en ijdelheid tot de hoofdzonden. Het waren de zogeheten onvergeeflijke zonden of doodzonden. Calvijn maakte geen onderscheid tussen kleine of grote zonden. „Alle zonden zijn gelijk, omdat ze allemaal dodelijk zijn”, schreef de reformator in zijn Institutie.

Ook een „heilige” als Calvijn maakte zich schuldig aan bepaalde hoofdzonden, betoogde Engammare. Volgens hem wijst de ontwikkeling van Calvijn handtekening in diens brieven op toenemende trots. Door de jaren heen ging de reformator de ”I” van Ioannis steeds groter schrijven. „Maar als we dit bij Calvijn zien, dan moeten we maar bedenken dat we allemaal rechtvaardige en zondaar tegelijk zijn. Ook Calvijn was heilige en zondaar tegelijk.”

Engammare was gisteren een van de tien sprekers die drie kwartier de tijd kregen een aspect van Calvijns leven en werk te belichten. Prof. dr. Christian Link uit het Duitse Bochum ging in op het verschil tussen de termen verkiezing en predestinatie; dr. Günter Frank (Bretten) op de natuurlijke theologie bij Calvijn en Melanchthon. Verder spraken prof. dr. Anthony N. S. Lane uit Londen over Calvijns visie op de vrije wil en prof. dr. Olivier Millet (Parijs) over lijden bij Calvijn.


Lees ook: Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek