Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep

„Calvijn mag best ook iets weerbarstigs hebben”

 Dr. Frans Pieter van Stam.

Dr. Frans Pieter van Stam.

AMSTERDAM - Hij was twintig jaar predikant in de Gereformeerde Kerken toen de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam hem in 1991 binnenhaalde om aan de uitgave van de briefwisseling van Calvijn te gaan werken. In de brieven ontmoette dr. Frans Pieter van Stam een begaafd mens. Aanmoedigend, maar ook confronterend.
Als predikant kende hij Calvijn natuurlijk wel. „Maar ik was best nieuwsgierig naar wat voor man hij nou precies was”, zegt Van Stam (65) in zijn werkkamer op de veertiende verdieping van het VU-gebouw. Volgende week neemt hij officieel afscheid van de universiteit.

Van Stam: „Als je zijn brieven leest, ontmoet je een boeiend man. Sinds een paar jaar realiseer ik me echter pas hoe ontzettend jammer het is dat ik tijdens mijn predikantschap minder oog had voor Calvijns preken en commentaren. Ik heb veel waardering voor zijn confronterende prediking. Calvijn was geen moralist die alleen zijn toehoorders schuldig stelde, hij plaatste ook zichzelf onder kritiek. In zijn preken heeft hij het altijd over ”nous”, over ons. Soms vergaloppeert Calvijn zich wat en zegt hij alleen ”jullie”. Dan biedt hij daarna zijn excuses aan.”

Opsporen
Kerkhistorici schatten dat Calvijn tijdens zijn leven zo’n 8200 brieven heeft verstuurd en er ongeveer evenveel ontving. Daarvan zijn er 3500 bewaard gebleven. Van Stam begon in 1991 eerst alle manuscripten te ordenen, te noteren welke brieven er beschikbaar waren, en te zoeken naar de ontbrekende puzzelstukjes. Tegelijk verdiepte hij zich in het leven en de tijd van Calvijn.

Het eerste deel van de correspondentie verscheen veertien jaar later, in 2005. Het bevat de eerste 85 brieven van en aan Calvijn uit de periode 1530-1538. „Een eerste deel van een serie kost altijd erg veel tijd. Je moet alle manuscripten bij elkaar zoeken, microfilms opvragen, en een vaste vorm voor de notatie zien te vinden.”

Met dit tempo duurt het nog zeker veertig jaar voordat alle delen zijn verschenen.
„Veel langer nog. Het is de bedoeling dat er in totaal veertig delen komen. Als je dit werk met meer mensen zou kunnen doen, twee of drie, dan moet het met keihard werken mogelijk zijn elke drie jaar een deel op de markt te brengen. Sneller hoeft ook niet, want anders gaan onderzoekers klagen dat ze het vorige deel nog niet verwerkt hebben.”

Maar die twee of drie mensen zijn er niet.
„De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek stoppen vooralsnog geen geld in dit werk. Er zullen fondsen buiten de universiteit gevonden moeten worden, maar ik heb daar wel vertrouwen in.”

Wat is het belang van zo’n megaproject?
„Calvijn en zijn tijd komen hierdoor ontzettend dichtbij. Vorige week realiseerde ik me bijvoorbeeld dat de Reformatie een gigantische reductie van het aantal geestelijken in Genève met zich meebracht. Vóór 1536 werkten er zo’n 400 rooms-katholieke geestelijken; toen moest de stad het de eerste tijd met vier à vijf predikanten doen. Logisch dat de inwoners die zich nog met de oude kerk verbonden voelden, overtuigd waren dat het niks met die nieuwe kerk zou worden. Voor Calvijn en Guillaume Farel was dit een signaal om in de nieuwe kerk de verantwoordelijkheden van de gemeenteleden meer inhoud te geven.

Calvijn leefde in een roerige tijd, een periode waarin van alles in hoog tempo veranderde. De Amerika’s werden ontdekt, de boekdrukkunst werd uitgevonden, oorlogen braken uit, de eenheid van de kerk ging verloren. Door de brieven ga je je verbonden voelen met de mensen van toen. Het geloof houdt zich staande. Dat geeft ook moed om in 2009 vol te houden.”

Barth
Met een symposium neemt Van Stam volgende week vrijdag officieel afscheid van de VU. Hij blijft echter één dag per week betrokken bij het brievenproject. Plannen heeft hij ook nog genoeg: een boek over de bekering van Calvijn, een artikel over het verzet van Karl Barth tegen het nationaalsocialisme in Duitsland. „Er zitten allerlei elementen in Barths theologie die hij rechtstreeks aan Calvijn ontleend heeft. De kern van onze zonde karakteriseerde Barth onder andere als traagheid, een begrip dat we ook bij Calvijn tegenkomen.”

Zijn gedachten gaan ook uit naar een boek over Calvijn als mens. „Ik wil Calvijn uit de hoek halen waarin hij niet hoort. In een van zijn columns in Trouw schrijft Jacques Suurmond -die ik overigens bijzonder graag lees- tot twee keer toe dat Calvijn geen oog had voor de schoonheid van de natuur rond het meer van Genève. Maar in zijn preken en commentaren heeft Calvijn juist wel lyrisch gesproken over de schoonheid van bloemen, bomen, gras en over de warmte van de zon en de krachten in de natuur. Hij was een gevoelig mens.”

Calvijn blijft maar tobben met zijn imago.
„Er zit ook wel een stuk gemakzucht in om vast te houden aan een negatief beeld van Calvijn. Overigens zien we vaker dat mensen die echt wat betekenen, ook minder gemakkelijke kanten hebben. Daarom gaat het mij te ver van Calvijn te verlangen dat hij niets weerbarstigs mag hebben.”


„Calvijn niet plotseling bekeerd”

In het voorwoord van zijn commentaar op de Psalmen schrijft Calvijn over zijn „plotselinge bekering.” Al jaren breken kerkhistorici zich het hoofd over de vraag wat de reformator daar nu precies mee bedoelde. Dr. F. P van Stam: „De plotselinge bekering houdt in dat Calvijn aansluiting vond bij de groep in Frankrijk die kritiek leverde op de misstanden in de kerk en die op een nieuwe wijze het Evangelie las.”

Calvijn ontdekte in 1533 de noodzaak van de hervorming van de kerk door het Evangelie, aldus Van Stam. Hij voelde zich aangetrokken tot een humanist als Erasmus en de zogeheten groep van Meaux. Die keerde zich onder andere tegen de aflaathandel en de beeldendienst in de kerk.

„Er was toen dus nog geen sprake van een volledige bekering. Calvijn kreeg, zoals hij het zelf zegt, „enige smaak” in waar het in de Bijbel om gaat. Een bekering veronderstelt een volledige koerswijziging. Pas tijdens de disputatie van Lausanne in 1536 raakte hij helemaal los van de Rooms Katholieke Kerk.”

Van Stam spreekt volgende week vrijdag bij zijn afscheid van de Vrije Universiteit in Amsterdam over ”Nieuw licht op Calvijns „plotselinge bekering””. Hij analyseert dan Calvijns eigen bericht over zijn bekering.


Lutherlied tegen Zwingli

Het Lutherlied ”Een vaste burcht” is ontstaan in de avondmaalsstrijd tegen Zwingli. Met verschillende woorden en zinnen had Luther de sacramentariërs op het oog, stelt dr. F. P. van Stam.

Van Luther zijn ongeveer veertig liederen bekend, waarvan ”Een vaste burcht is onze God” de bekendste is. Hij schreef het lied in 1527 om zijn geloofsgenoten moed in te spreken. „Luther ergerde zich nogal aan het triomfantalisme van Zwingli en andere Zwitsers, die de aanwezigheid van Christus in brood en wijn geestelijk opvatten. In deze periode stonden ze lijnrecht tegenover elkaar. Luther voelde zich nogal in de hoek gedreven.”

Verschillende woorden en zinnen in het lied verwijzen naar de avondmaalsstrijd tussen beide reformatoren, aldus Van Stam. „Luther geloofde dat Christus werkelijk in de tekenen aanwezig was. Het tragische is dat ook Zwitserse theologen, zoals Zwingli, stelden dat Christus aanwezig is als gelovigen het avondmaal vieren, maar dan op geestelijke wijze. Voor Luther was dat niet voldoende. Hij hamerde erop dat Jezus had gezegd: „Dit ís Mijn lichaam” en niet „dit betékent Mijn lichaam.” En die uitspraak „dit is Mijn lichaam” had Luther op het oog toen hij dichtte dat „één woordje hem –satan– kan vellen.””

Het lied raakte echter spoedig los van zijn oorspronkelijke context. Binnen de kortste keren stond het ook in Zwitserse liedbundels. „We kunnen het ook gerust op Hervormingsdag blijven zingen. Maar we doen het dan wel wat bescheidener, omdat er ook uit blijkt hoe moeilijk gelovigen het onderling kunnen hebben.”


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek