In de Tachtigjarige Oorlog gingen veel kerkgebouwen over van de rooms-katholieke naar de protestantse eredienst. Het algemene idee, mede gevoed door de Beeldenstorm, is dat de inrichting van de kerken toen sterk versoberde, omdat het Woord centraal kwam te staan. Gedeeltelijk was dat ook zo, aldus Meulenkamp, door de prominentere plek die de kansel kreeg en het weren van sacrale elementen.
Maar daarmee is niet alles gezegd. In de plaats van sacrale kwam profane pracht, zegt Meulenkamp. Hij noemde sommige kerken een uitvergrote versie van het grachtenpandinterieur. Hierbij wees hij op de pronklijsten van banken en kansels, de sierlijke rouwborden, de avondmaalsstellen en de volgens de mode van die tijd gekalligrafeerde predikantenborden.
Meulenkamp, die honderden kerkinterieurs gestudeerde, noemde verder als kerkelijke versiering gebrandschilderde ramen, versierde notabelenbanken, grafstenen, gildenborden, monumenten voor uiteenlopende personen, hangende scheepjes en schilderijen.
Een prent van de Laurenskerk te Rotterdam uit de tijd van de Republiek toont behalve een doophek en een tiengebodenbord ook een fraaibewerkt koorhek. Het interieur ziet er heel anders uit dan de kerken van de zeventiende-eeuwse schilder Pieter Saenredam suggereren. Saenredam schilderde vrij lege kerken, bijvoorbeeld de Sint-Bavo in Haarlem. Een prent van die kerk uit die tijd toont een ander beeld, met tientallen rouwborden. Meulenkamp: „Saenredam manipuleerde de werkelijkheid. Hij wilde de leegte weergeven.”
Turks
Waren de protestantse kerkenraden ijverig in het weren van sacrale pracht zoals heiligenbeelden, die deden denken aan de Rooms-Katholieke Kerk, ze waren dat niet altijd als het om profane kunst ging. Soms waren dat curieusheden, zo houdt Meulenkamp zijn publiek voor. In Coevorden was in de top van het klankbord van de kansel een halve maan aangebracht, een verwijzing naar de geuzenkreet: „Liever Turks dan paaps.”
In de A-kerk in Groningen werd als motief voor houtsnijwerk een heidens symbool gebruikt, de zogenaamde Groene Man (Green Man), de heer van het woud, die staat voor de wilde scheppingskracht en de ongebreidelde creativiteit in de natuur. Het koorhek van de Pieterskerk in Leiden toont saters en goden. In Batenburg, Doesburg en Culemborg trof men eveneens houtsnijwerk aan met dergelijke motieven. Soms zijn erotische motieven te zien. Het is Meulenkamp een raadsel waarom de gereformeerde kerkenraden dit alles toelieten.
De grote versobering van de interieurs van kerkgebouwen kwam, zo zei Meulenkamp, in de negentiende eeuw. Toen verdwenen de gebrandschilderde ramen en de rouwborden uit de kerken. „Deze verandering hing samen met het orthodoxer worden van de kerken. Die versobering kon zo ver gaan dat een kerkenraad de dominee vermaande omdat hij tijdens de preek een trouwring droeg.”
Meulenkamp denkt dat de slinger inmiddels weer naar de andere kant is doorgeslagen en dat het in het liturgisch centrum van de kerk vaak niet meer te zien is of het om een protestantse dan wel een rooms-katholieke kerk gaat.
Schuilkerken
Bouwkunsthistoricus drs. S. Eman liet zien dat de ontwikkeling van schuilkerken een tegengestelde beweging te zien heeft gegeven in vergelijking met de protestantse kerken. In de Republiek mochten godsdienstige groepen die niet tot de Gereformeerde Kerk behoorden geen als kerk herkenbaar gebouw hebben. Dat leidde ertoe dat rooms-katholieken, doopsgezinden, luthersen, joden en remonstranten samenkwamen in panden die leken op huizen, pakhuizen of stallen.
Een bekend voorbeeld van een rooms-katholieke schuilkerk is Ons’ Lieve Heer Op Solder in Amsterdam, dat nu een museum is. In Krommenie staat een rooms-katholiek kerk die vroeger als schuilkerk begonnen is.
Na de Vrede van Munster, in 1648, gedoogde de overheid de schuilkerken meer en meer. In Amsterdam alleen al waren er tientallen schuilkerken die door de stadsoverheid werden gedoogd. Opvallende schuilkerken waren de remonstrantse kerk in Amsterdam en de Gertrudiskapel in Utrecht. Veel luxe hadden de (rooms-katholieke) Paradijskerk en de kerk aan de Oppert in Rotterdam, die in de achttiende eeuw zijn gebouwd. Rotterdam, Den Haag en Delft mochten grotere schuilkerken bouwen, aldus Eman.