Vijftien jaar geleden vond iets dergelijks plaats. Tussen 18 en 24 juli 1994 sloeg zestien keer een brokstuk in op de planeet. Het ging om restanten van de uiteengevallen komeet Shoemaker-Levy 9. Dat leverde spectaculaire beelden op.
De vlek die nu te zien is op Jupiter is geen inslagkrater, maar een ‘gat’ in het wolkendek. Jupiter is namelijk een gasreus. De buitenste laag van de planeet bestaat uit een dikke laag helium- en waterstofwolken. Een mens zal dan ook nooit op de planeet kunnen rondlopen.
Een 1000 kilometer lager is de druk zo hoog dat de wolken overgaan in vloeibare waterstof. Nog dieper in de planeet loopt de temperatuur op tot wel 10.000 graden en is de druk 1000 keer zo hoog als op aarde. Daar wordt de vloeibare waterstof een zogeheten metallische vloeistof, vergelijkbaar met kwik. Helemaal in het hart bevat Jupiter mogelijk een harde kern.
Tussen de verschillende lagen van Jupiter –vernoemd naar de mythologische Romeinse oppergod– vindt uitwisseling van warmte en energie plaats. Astronomen gebruiken om dat proces uit te leggen soms het beeld van een pan soep. Als die op de kookplaat staat wordt eerst de soep onder in de pan warm. Die warme soep gaat borrelend omhoog en neemt warmte mee. De koudere soep aan de bovenkant komt in een stroom naar beneden terecht en wordt daar opgewarmd. Het is een proces waarbij enorme krachten vrijkomen. In combinatie met de snelle draaiing van Jupiter ontstaat een krachtig magnetisch veld dat 20.000 keer sterker is dan dat van de aarde.
Op Jupiter is alles groot en indrukwekkend. Zo is Jupiter de grootste planeet van ons zonnestelsel. Ook telt de planeet maar liefst 63 manen. In 2001 waren er nog maar 28 bekend, daar zijn er bijna 40 bijgekomen en waarschijnlijk volgen nog meer ontdekkingen.
De manen variëren flink in omvang. Sommige zijn maar enkele kilometers in doorsnee. De grootste vier zijn ongeveer net zo groot als de maan van de aarde en de planeet Mercurius. Zij worden de Galileïsche manen genoemd, omdat de beroemde sterrenkundige Galileo Galilei ze in 1610 als eerste ontdekte. De vier grote manen zijn Io, Europa, Ganymedes en Callisto. Het zijn vier hemellichamen met elk een eigen karakter.
Rode vlekken
Jupiter is geliefd bij amateurastronomen. Al met een kleine telescoop zijn details te ontdekken. Het opvallendste onderdeel van Jupiter is de Grote Rode Vlek, een enorme werveling in de atmosfeer van de planeet. Deze storm in de zuidelijke tropische sfeer, die al honderden jaren actief is, is soms goed, dan weer minder goed zichtbaar, afhankelijk van het contrast met de omgeving. De vlek is twee keer zo groot als de aarde en meet ongeveer 40.000 bij 14.000 kilometer.
Sinds 2005 is er nog een grote storm in de atmosfeer te zien. Die heeft de naam de Kleine Rode Vlek gekregen.
De wolken aan de poolzijden van Jupiter bewegen veel langzamer dandie dicht bij de evenaar. De wolkenbanden zijn voortdurend ten opzichte van elkaar in beweging, soms in tegengestelde richting. Bij de randen van die banden ontstaan de wervelstormen.
De wolken op Jupiter hebben allerlei kleuren, variërend van wit tot blauw, bruin en rood. De kleurveranderingen ontstaan waarschijnlijk door temperatuur- en drukwisselingen.
De planeet is voor het eerst verkend door de Pioneer 10, die ruim anderhalf jaar na zijn lancering in 1972 langs Jupiter vloog. De Pioneer 11 vloog in december 1974 nog dichter langs het hemellichaam. In 1979 scheerden de Voyager I en II langs de planeet en zijn manen. Dankzij deze missies ontdekten astronomen dat Jupiter een ijle ring van stofdeeltjes heeft en dat de Jupitermaan Io actief vulkanisme heeft. In 1992 vloog de Ulysses over de noord- en de zuidpool van Jupiter.
Tussen 1995 en 2003 draaide de ruimtesonde Galileo talloze rondjes om de planeet. Ook de ruimtesonde Cassini maakte op zijn reis naar Sa-turnus opnames van de gasreus. Hetzelfde deed de New Horizon op zijn trip naar Pluto. Anno 2009 zijn er geen ruimtesondes in de buurt van de planeet.
Bethlehem
Jupiter wordt soms in verband gebracht met de ster van Bethlehem die de wijzen uit het oosten de weg wees naar het huis waar de pasgeboren Heere Jezus verbleef. In de 17e eeuw berekende de astronoom Johannes Kepler dat de ster een samenstand van Jupiter en Saturnus zou kunnen zijn geweest.
De Amerikaanse sterrenkundige Roger Sinnott stelde in de jaren zestig van de vorige eeuw dat het om een samenstand van Jupiter en Venus zou gaan. Beide theorieën zijn echter met goede argumenten weerlegd.