Een van de kernaspecten van de opvoeding is de vorming van de wil. Evenals het denken en het gevoelen moet ook het willen worden ontwikkeld en gevormd. Van nature weten kinderen niet wat goed en wat fout is, wat mag en wat niet mag.
In de peuterleeftijd gaat de wil van het kind zich manifesteren. Dit zal bij het ene kind sterker naar voren komen dan bij het andere kind. In deze periode hoort het bij het normale gedrag dat een peuter gaat koppen, dwars gaat liggen, niet wil luisteren. Kinderen willen alles zelf doen, zijn minder volgzaam.
Ouders moeten inzien dat de ’onwil’ alleen maar een ontwakend willetje is dat zijn weg in positieve richting nog niet heeft gevonden en zich vaak alleen maar negatief kan uiten, met name in nee zeggen.
Bij een kind van ruim 5 jaar is de koppigheidsperiode in principe achter de rug. Er kan wel sprake zijn van een verlate koppigheid of mogelijk koppig gedrag. Is dit laatste het geval, dan is het belangrijk om te weten hoe de wil is gevormd. Zelfstandigheid en eigenheid zijn behoeften van een kind. Ouders dienen hiermee rekening te houden en dit goed te begeleiden, met gebruikmaking van de wil van een kind.
Initiatieven
Dat betekent dat een opvoeder de wil niet moet breken, ook niet de vrije loop moet laten, maar moet leiden naar doelen die wel mogen en goed zijn. Negeren en straffen zijn niet voldoende om tot een goede vorming van de wil te komen. Ouders moeten een kind de gelegenheid geven initiatieven te ontwikkelen, en deze niet direct de kop indrukken.
Wanneer een kind eigen initiatief toont wat is gericht op een goed doel, bijvoorbeeld mama helpen met afwassen, moet de moeder haar kind hierin stimuleren, bemoedigen, prijzen en zeggen waaróm dit zo goed is.
Is het doel niet goed, dan kunnen ouders zeggen waarom dat niet zo is. Vervolgens kunnen ze het kind een keuzemogelijkheid aanbieden. Het mag kiezen uit mogelijkheden die de ouders goed vinden. Zo maken zij gebruik van de wil van het kind.
Een voorbeeld. Joanne wil de witte trui aan naar school. Haar moeder motiveert waarom dit niet mag: de witte trui is voor het feestje van oma. Ze zegt dat Joanne een andere trui mag kiezen. Maar deze blijft mokken en wil alleen de witte trui. Moeder herhaalt: „Jij mag een andere trui kiezen, maar als jij niet kunt kiezen, kies ik een trui voor jou.”
Ze geeft haar kind de tijd om een keuze te maken en laat het alleen. Na verloop van tijd heeft Joanne nog geen keuze gemaakt. Nu kiest haar moeder een trui, ondanks Joannes tegenstribbelen. Wanneer zij deze trui alsnog niet aantrekt, moet haar moeder dit bij haar doen.
Consequent zijn
Ouders moeten het gedrag van hun kinderen stimuleren en corrigeren in de richting die zij wenselijk achten en die overeenkomt met hun waarden-en-normenpatroon. Opvoeders moeten duidelijk zijn, grenzen durven stellen en consequent zijn. Wanneer zij geen duidelijke regels en grenzen aangeven en die handhaven, ontstaan vaak problemen.
Een goede relatie tussen opvoeder en kind is fundamenteel. Wat de opvoeder in zijn gedrag laat zien, neemt het kind gemakkelijk spontaan over. Woord en daad zijn één.
Kinderen moeten met respect worden behandeld. Laat hen uitpraten, kom tegemoet aan hun behoeften van liefde, veiligheid, bescherming, zelfstandigheid en eigenheid. Geef hun zelfvertrouwen, laat ze keuzes maken, geef complimentjes, bied openheid, ruimte en duidelijkheid.
Een kind wil graag groot zijn, wil erbij horen, wil nuttig zijn. Ze hebben bevestiging van de opvoeder nodig om te komen tot de ontwikkeling van een positief zelfbeeld. Als ouders steeds maar straffen, dwingend optreden of weinig tolerant zijn ten aanzien van de eigen inbreng van een kind, is dat niet bevorderlijk voor een goede ontwikkeling van de wil bij het kind.
Gehoorzaamheid speelt bij de vorming van de wil een belangrijke rol. Kinderen moeten leren hun eigen wil te richten naar de regels, waarden en normen die de opvoeder stelt. Die moeten wel acceptabel zijn. Dat wil zeggen dat kinderen hieraan wel moeten kúnnen voldoen. Overtreden kinderen de acceptabele regels, dan moeten ze leren correcties en straf te accepteren.
Opvoeders zijn onmisbaar in de gehele opvoeding. Zij dragen het uiteindelijke gezag en zijn verantwoordelijk voor het doen en laten van hun kinderen. Kinderen kunnen ook het gedrag van elkaar overnemen, imiteren en zelfs corrigeren. Hier is echter geen sprake van opvoedingsgezag. Een kind kan geen verantwoordelijkheid dragen voor het gedrag van een ander kind. Ouders zijn en blijven verantwoordelijk.
Drs. Keus is oud-docente pedagogiek aan hogeschool Driestar educatief, echtgenote en moeder van drie volwassen kinderen. Hebt u ook opvoedingsvragen? Mail eigenwijzer@refdag.nl of schrijf RD, t.a.v. opvoedingsredactie, Postbus 670, 7300 AR Apeldoorn.
Tips voor de wilsopvoeding
Geef kind keuzemogelijkheden.
Durf grenzen te stellen.
Praat met kinderen over verantwoorde doelen.
Goede ouder-kindrelatie is onmisbaar voor gehoorzaamheid.
Geef zelf het goede voorbeeld.
Geef leiding aan het kind, laat het niet vrij.
Maak gebruik van de wil van het kind.
Kind moet voelen dat het belangrijk is.
Benadruk het goede, voorkom een negatieve benadering.
Kind moet weten wat wel en niet is toegestaan.