Nu is de vrijheid van meningsuiting in ons rechtsstelsel niet onbeperkt. Gelukkig niet. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om iets te zeggen of te publiceren, maar op grond van de wet kan iemand achteraf wel aansprakelijk gesteld worden en door de rechter worden veroordeeld. Als persoon of groepering hoef je ook weer niet alles te slikken.
Maar in onze liberale staat (liberaal in de brede betekenis van het woord) mag er veel. Zowel goed als kwaad. En wee degene die daar aan durft te komen. Vandaar dat Theo van Gogh in brede kring als een heilige wordt vereerd. In Amsterdam komt een monument voor hem.
Vandaar ook de commotie die ontstond toen minister Donner voorstelde het slapende wetsartikel tegen de smalende godslastering, dat zijn grootvader in de jaren dertig had opgesteld, weer tot leven te wekken. Hoe beperkt de reikwijdte van dat artikel ook was, toch bracht dat enigszins tot uitdrukking dat je zomaar niet alles kan zeggen en publiceren over wat heilig is.
Niet gevoelig
Inmiddels zijn we eraan gewend dat via de media allerlei teksten en afbeeldingen gepubliceerd worden waarin met het christelijk geloof gespot wordt en die soms zelfs godslasterlijk moeten worden genoemd. Acties bij de rechter, zo die al worden aangespannen, leveren meestal niets op. Voor maatschappelijke druk, zo daar al sprake van is, zijn de betreffende auteurs, redacties en uitgevers meestal niet gevoelig.
Recent plaatste het blad Binnenlands Bestuur een parodie op de geschiedenis van de zondeval. Eva (ChristenUnie) tracht Adam (SGP) te verleiden inzake vrouwen op de kandidatenlijst. Een klager kreeg van de redactie te horen dat men ook in de toekomst gewoon met de Bijbel wilde kunnen spotten.
Was er enkele decennia geleden bij media van algemene signatuur nog wat meer het besef dat men rekening moest houden met de gevoelens van orthodox-christelijke lezers, thans is dat vrijwel verdwenen. Overigens is er ook wel sprake van golfbewegingen. Een tijd lang was het in de mode om religieuze noties op een profane manier in reclameboodschappen te verwerken. De laatste jaren merk je daar weer minder van.
Ook al hebben klachten over profane reclames en andere uitingen lang niet altijd een positief effect, toch is er geen reden om die na te laten. Spotternij met hetgeen heilig is zou ook een motief moeten zijn om ons koopgedrag bij te stellen of om een abonnement op te zeggen. Uiteraard moeten we beducht zijn voor een Jehu’s ijver, maar evenzeer moeten we de vraag te stellen of we niet te laks geworden zijn. Raakt het ons nog wanneer met God en Zijn dienst wordt gespot?
Moslimacties
In ieder geval moeten we constateren dat moslims, althans de meer fundamentalistische moslims, het niet over hun kant laten gaan wanneer er met hun godsdienst wordt gespot. Hun acties tegen de cartoons in de Deense krant Jyllands-Posten waren de afgelopen dagen voorpaginanieuws. Die massale agitatie stelt de Europese regeringen en ook de media voor een groot dilemma.
Sommige politici willen, ondanks de islamitische woede-uitbarstingen, volstrekt niets afdoen van het voor hen heilige principe van de vrijheid van meningsuiting. Bij wijze van provocatie zette Wilders de cartoons op z’n website. Veel regeringsleiders wijzen er echter op dat men toch ook rekening moet houden met de diepere gevoelens van anderen.
Opvallend was in dit verband de reactie van de Amerikaanse regering. Terwijl Washington een harde lijn volgt ten aanzien van het moslimterrorisme (harder dan velen in Europa wenselijk achten) verklaarde het ministerie van Buitenlandse Zaken dat de Deense cartoons beledigend waren voor het geloof van de moslims. In Amerika heeft men meer gevoel voor de fundamentele betekenis van religie dan in het sterk geseculariseerde West-Europa.
Nu zal duidelijk zijn dat Mohammed voor ons niet heilig is. Bepaald niet. Vanouds werd hij in christelijke kring aangeduid als een valse profeet. Wel hebben moslims en christenen een besef van transcendentie gemeenschappelijk: dat er een heilig God is, Die de wereld geschapen heeft en met Wie wij in rekening staan. Maar al spoedig scheiden daarna onze wegen.
De kloof tussen Bijbel en Koran mogen we niet verzwijgen. De islam is een valse godsdienst, een doodlopende weg in de diepere zin van het woord. Uiteraard geldt in contacten met moslims dat de wijze tijd en wijze zal weten. Ook in het uitdragen van deze boodschap. We moeten de ander respecteren. Of je ook z’n godsdienst of levensovertuiging moet respecteren, is nog weer een ander verhaal.
Dat mag in ieder geval niet inhouden dat je er geen kwaad van durft te zeggen. Wat verkeerd en heilloos is, mogen wij niet verbloemen. Dat betekent niet dat wij er ook per se mee moeten spotten. Al laat de Bijbel daar wel degelijk voorbeelden van zien. Denk aan Elia op de Karmel en de wijze waarop Jesaja spreekt over het maken van afgodsbeelden (Jesaja 44:12-20). Ook in de Psalmen wordt gespot met de machteloosheid van de afgoden (Psalm 135:15-18). Daarentegen koos Paulus op de Areópagus voor een andere strategie.
Lange tenen
Nu geldt dat moslims lange tenen hebben. Zelfs een niet-karikaturale afbeelding van Mohammed is in de ogen van moslims, althans van veel soennitische moslims, al verwerpelijk. En met een uitgave van de Koran gaan zij heel omzichtig om. Zij leven meer dan wij in een cultuur waarin het begrip eer centraal staat. Wij zijn nog wel eens geneigd om venijnige en lasterlijke opmerkingen over ons en onze kerk af te doen met de reactie: laat maar, ze zijn niet wijzer! In het Midden-Oosten ligt dat anders.
Evenzeer is van betekenis dat we in West-Europa te maken hebben met een niet te verwaarlozen moslimminderheid. In het Midden-Oosten en Noord-Afrika zijn de moslims onze buren, die bovendien een niet onbelangrijk deel van de wereldolievoorraad beheren. Dat is voldoende reden om voorzichtig te manoeuvreren. Religieus en politiek geïnspireerde moslimterroristen geven wereldwijd al narigheid genoeg. Het is niet verstandig (ja het zou volstrekt onverantwoord zijn) om omvangrijke groepen fundamentalistische moslims in hun armen te drijven.
Er is dus reden om, als het even kan, provocatie van religieuze gevoelens van moslims te vermijden. Betekent dat dat het godslasteringsartikel in ons Wetboek van Strafrecht afgestoft en aangescherpt moet worden? Daar is inderdaad reden toe, maar of dat politiek haalbaar is, is de vraag. Daarvoor draagt de vrijheid van meningsuiting bij veel partijen te zeer een sacrosanct karakter. Daarvoor is er, althans bij de seculiere meerderheid, onvoldoende inlevingsvermogen als het gaat om hetgeen gelovigen heilig is.
Wel is het risico reëel dat politici, columnisten, bedrijven en media zich voortaan (nog meer) inhouden als het gaat om moslims. Die zijn immers gauw aangebrand. Met hen loop je het gevaar van een boycot of zelfs de kans op brandstichting of een moordaanslag. Dat risico willen de meeste columnisten en andere bureauhelden niet lopen. Maar met orthodoxe christenen loop je dat risico niet. Hun geloof kun je straffeloos bespotten. Dat zou inderdaad een droevige vorm van ongelijke behandeling zijn. En dat in een maatschappij die eens christelijk was!
Evangelische Alliantie
Overigens hebben we hier te maken met een problematiek die heel gecompliceerd ligt. Want er kan ook reden zijn om bezwaar te maken tegen een al te grote bescherming van godsdienstige gevoelens. In Groot-Brittannië verwierp eind vorige maand een krappe meerderheid van het parlement een regeringsvoorstel inzake religieuze discriminatie. Dit voorstel, waarmee de regering met name moslims wilde beschermen tegen antigodsdienstige uitlatingen, zou de mogelijkheid tot kritiek op religieuze groeperingen en hun opvattingen wel erg inperken. Vandaar dat de Evangelische Alliantie samen met andere organisaties (waaronder schrijvers en cabaretiers) daartegen te hoop liep.
In Nederland is zo’n wetsvoorstel voorlopig nog niet aan de orde, maar je weet het maar nooit. Ook hier weet de overheid het verschil niet meer tussen waarheid en leugen. Zo’n voorstel zou ingegeven kunnen worden door de gedachte dat discussies over godsdienst toch alleen maar maatschappelijke conflicten oproepen, groepen mensen tegen elkaar opzetten en niets opleveren wat zinvol is. Terwijl er dan bijvoorbeeld alle ruimte blijft voor politieke debatten en literaire polemieken, wordt de religieuze discussie sterk aan banden gelegd. Wie dan in het openbaar zou verklaren dat de paapse mis een vervloekte afgoderij is of dat de Koran door Mohammed is verzonnen, zou veroordeeld kunnen worden wegens het zaaien van haat tegen bepaalde bevolkingsgroepen.
Vandaar dat we er wel degelijk belang bij hebben dat de vrijheid van meningsuiting niet al te zeer wordt ingeperkt. Dat kan niet alleen gebeuren door wetgeving, maar ook door een (al dan niet uitgesproken) dreiging met geweld of economische boycot. In de huidige situatie moet dan vooral gedacht worden aan fundamentalistische moslims, maar er is meer te noemen.
Intimidatie
Er zijn ook andere groepen waarvan gevreesd wordt dat zij er niet voor terugdeinzen om bruut geweld te gebruiken tegen mensen die zich in het openbaar negatief over hen uitlaten. Denk maar aan bewoners van woonwagenkampen, voetbalsupporters, Hells Angels en onderwereldfiguren. Alleen al de dreiging die er van hen uitgaat (en die is altijd moeilijk te meten) kan mensen beïnvloeden in hun publieke opstelling. Zeker wanneer dat bijvoorbeeld raadsleden betreft, is dat een bedenkelijke zaak.
Discussies over de grenzen van de vrijheid van meningsuiting liggen daarom uitermate gecompliceerd. Die vrijheid is voor ons geen heilig principe dat niet begrensd zou mogen worden door ethische normen. In de huidige situatie is er zeker reden om te pleiten voor inperking van de vrijheid van meningsuiting, gezien de vuiligheid die op grote schaal wordt verspreid. Maar soms is het verstandiger om bepaalde zaken maar te laten begaan. Ertegenin gaan levert juist extra aandacht op en werkt alleen maar averechts. Er bestaat ook zoiets als repressieve tolerantie. En ook de overheid heeft te maken met het Bijbelwoord uit de brief van Jakobus: „de tong kan geen mens temmen.”