Istanbul, Yalova, Gölcük. De graad van verwoesting loopt op. De miljoenenstad aan de Bosporus heeft de natuurramp van afgelopen dinsdag relatief goed doorstaan. In Yalova ligt meer dan een kwart van de huizen in puin. Maar de aanblik van Gölcük overtreft alles. Het overgrote deel van de bebouwing is ingestort of zo zwaar beschadigd dat bewoning niet meer mogelijk is. De stad is dood.
Niet alleen de bevende aarde zaaide dood en verderf. Ook de zee eiste haar tol. Een enorme vloedgolf van 35 meter hoog viel het stadje van achteren aan en vaagde tientallen huizen weg. De hele kustlijn is meters opgeschoven. "Het was alsof het water zich eerst terugtrok", vertelt een Turkse journaliste die ons de weg naar het crisiscentrum wijst. "We konden de bodem zien. Daarna kwamen de golven met volle kracht terug. Alle huizen en theetuinen langs de boulevard zijn weggespoeld."
Te veel
De verslaggeefster is op weg naar de begrafenis van haar zus en zwager, die bij de aardbeving om het leven kwamen. Haar kleren, een handtasje en een zonnebril zijn alles wat ze nog heeft. Ze slaapt in een tent op de marinebasis Deniz aan de rand van Gölcük. "Als journalist probeer ik nuchter tegen de dingen aan te kijken, maar dit is te veel voor me", zucht ze. Even later barst ze in huilen uit.
Het crisiscentrum is gevestigd in een sportschool annex congrescentrum, een van de weinige gebouwen die nog intact zijn. Turkse militairen houden de wacht. Een van hen is de dag ervoor onder het puin van zijn huis weggehaald. Hij draagt een verband om zijn hoofd. "Ik kan het soms nog niet geloven dat ik hier sta. De beelden spoken de hele dag door mijn hoofd. Maar ze hebben mij gered, dus heb ik me meteen weer bij mijn onderdeel gemeld om te proberen nog wat voor de andere slachtoffers te betekenen."
In de tuin van het crisiscentrum is een klein veldhospitaal ingericht waar artsen en verpleegkundigen de minder ernstig gewonden behandelen. Een stuk of twintig GSM-toestellen liggen aan een generator op te laden. Nergens in Gölcük is elektriciteit. Een grote berg medicijnen, verbandmiddelen en spuiten ligt naast de tent. Hier zijn tenminste nog geneesmiddelen. In het nabijgelegen Izmit gooiden hulpverleners ruiten van apotheken in om aan de broodnodige medicamenten te komen.
De bovenverdieping van de sportschool biedt uitzicht over de zee. Aan de overkant van de baai ligt de industriestad Izmit, eveneens zwaar getroffen door de aardbeving. Metershoge vlammen schieten de lucht in vanaf olieopslagplaatsen aan de kust. Een enorme zwarte rookwolk hangt boven de raffinaderij en versluiert het daglicht. Binnen een straal van 5 kilometer mag niemand het gebied betreden, in verband met ontploffingsgevaar. Blusvliegtuigen en -helikopters vliegen af en aan om het vuur vanuit de lucht te bestrijden.
Fors oplopen
In het crisiscentrum vergadert districtsgouverneur Halil Kamal met de coördinators van de hulpverlening. Hij heeft geen tijd om vragen te beantwoorden, laat een van zijn medewerkers weten. "Wacht maar", zegt de Turkse journaliste die ons vergezelt. "Ik ga wel even met hem praten. Ik ben de dochter van de hoogste politieman in de stad. Ik denk dat ik het wel voor elkaar krijg."
Vijf minuten later staat de bestuurder ons te woord. Exacte cijfers over de omvang van de ramp en het aantal doden en gewonden durft hij niet te geven. Volgens hem liggen er nog "duizenden" onder het puin in Gölcük. "Als u nagaat dat de stad met alle omringende wijken zo'n 130.000 inwoners telt en dat bijna alle huizen zijn beschadigd, moeten we er rekening mee houden dat het dodental zeer fors zal oplopen. Het kan echter nog weken duren voor we precies weten hoeveel slachtoffers er zijn gevallen."
De hulpverlening is goed op gang gekomen, aldus Kamal. Wel roept hij de internationale gemeenschap op meer deskundigen te sturen. "Er zijn hier al veel organisaties actief en het leger speelt een grote rol, vooral in het coördineren van de activiteiten. Maar eigenlijk hebben we voor elk huis dat is ingestort een apart team nodig. Dan praat je over duizenden mensen", zegt hij.
Communicatie
De afgelopen dagen is er veel kritiek op de Turkse autoriteiten geweest. De regering zou aanvankelijk slechts hulpverleners naar stedelijke gebieden hebben gestuurd. Ook het ontbreken van een adequaat rampenplan wordt de staat voor de voeten geworpen. "We hadden meer voorzorgsmaatregelen kunnen nemen en ik weet ook dat de communicatie tussen de teams niet altijd even vlot verloopt", bevestigt de gouverneur. "Maar niemand kan zich goed voorbereiden op een ramp van deze omvang."
Dat de onderlinge contacten tussen de hulpverleners te wensen overlaten, blijkt even later als een Finse berger vraagt wie hem kan vertellen waar zijn team aan het werk kan gaan en wie het geheel coördineert. "Ik ben al de hele dag bezig om uit te zoeken waar het crisiscentrum is en wie de lakens uitdeelt. We kunnen toch niet zomaar ergens gaan graven?"
De eerste prioriteit voor gouverneur Kamal vormt het zoeken naar overlevenden en het bergen van de doden. "Daarna moeten we puinruimen. Dat is ook een probleem op zich. Want waar moet je heen met de overblijfselen van een hele stad? Pas als dat is gebeurd kunnen we aan wederopbouw, het herstel van infrastructuur en dergelijke gaan denken."
Komt Gölcük hier nog ooit wel bovenop? Halil Kamal moet lang nadenken. "Natuurlijk", is zijn korte antwoord, waarna hij zich weer aan zijn werk wijdt.
Krankzinnige uitspraak
Als we door de verwoeste straten van de stad lopen, lijkt de stellige bewering van de gouverneur een krankzinnige uitspraak. De verwoesting is enorm. Flatgebouwen van zes, zeven verdiepingen hoog zijn letterlijk tot gruis gereduceerd. Andere huizen zijn zodanig beschadigd dat ze elk moment kunnen instorten. Een enkele waaghals probeert nog wat bezittingen uit de ruïnes te redden. Tegenover het crisiscentrum is een complete woning van de fundamenten gelicht en ligt dwars over de weg.
Overal in de stad hangt de misselijkmakende lucht van dode lichamen. Drie, vier dagen liggen de overleden slachtoffers al onder de brokstukken, in temperaturen van ver boven de 30 graden. Hulpverleners en burgers dragen mondkapjes of hebben doeken voor hun gezicht gebonden. Sommige huizen staan in brand en overal hangen dikke stofwolken van ingestorte huizen.
Ergens in het centrum staat een man nerveus voor een totaal verwoeste woning. "Mijn dochter ligt er nog onder", vertelt hij. Militairen proberen met mokers het beton te lijf te gaan, maar ze vormen geen partij voor de keiharde steen. "Waarom zijn hier geen kranen, geen bulldozers?", schreeuwt de vertwijfelde vader. "Niemand helpt ons." "Waar zijn de bestuurders van deze stad?", roept hij opnieuw. "Zij vliegen alleen maar in helikopters rond. Ze kunnen beter hier helpen in plaats van plezierreisjes te maken. Mijn kind ligt hier onder."
Omstanders mengen zich in de discussie. "Iedereen doet toch wat hij kan", zegt een van hen. "We willen iedereen helpen, maar het is gewoon te groot, te veel voor ons. We praten over een rampgebied van 350 kilometer doorsnede. We hebben het over een zware aardbeving!"
Atatürk
Achter het plein met de stilstaande klok is een klein park. Verpleegkundigen hebben hier een EHBO-post ingericht voor mensen die hun verbanden willen verversen of voor de behandeling van hen die bij bergingswerkzaamheden gewond zijn geraakt. Een oude man zit op een wankele stoel en ligt met zijn hoofd op tafel. Een klein jongetje houdt een infuus omhoog. Hulpverleners verbinden hem en dienen een injectie toe. De Turk loopt dertig, veertig meter en zakt dan in elkaar.
Een vrouw laat haar schaafwonden behandelen. "Ik heb twee uur onder het puin gelegen voor ik werd gered", vertelt ze. "Nu woon ik in een tentenkamp. Mijn huis is verwoest. Het kan nog wel tien of twintig jaar duren voor het leven hier weer zijn normale gang kan hervatten."
In elke getroffen plaats staat het standbeeld van Atatürk wonder boven wonder nog recht overeind. In Gölcük kijkt de grondlegger van de moderne Turkse staat uit over een plein dat enkele honderden burgers tot hun tijdelijke verblijfplaats hebben gemaakt.
Onder een zelfgemaakt tentje van dekens en bezemstelen zit een ouder echtpaar. Ze leven nog en dat is het belangrijkste, vinden ze. Van hun huis is niets meer over. Hun twee zoons van 19 en 21 studeren in Istanbul, maar ze weten niet hoe het met hen gaat. "Drie dagen bivakkeren we hier al", vertelt de man. "Een paar kussens en een deken is alles wat we hebben. We hebben zelfs geen glas om uit te drinken. We kunnen nauwelijks fatsoenlijk liggen. Het lijkt hier wel een vrijgezellenkamer", grapt hij.
"Ik hoop dat de staat ons hulp kan bieden", vervolgt hij. "Het is nu nog mooi weer, maar wat moeten we straks als het gaat regenen of de winter invalt?" "Wilt u cola?", vraagt hij plotseling. Cola is in Turkije nog steeds iets bijzonders. Zelfs in zijn ellende wil hij het weinige dat hij heeft nog delen. Turkse gastvrijheid onder een tent van oude lappen.
Moe
Verderop valt een oude vrouw flauw. De emoties en vermoeidheid zijn haar te veel geworden. Haar zoon probeert een beetje water tussen haar lippen te gieten. "Sta nu maar op", zegt hij tegen zijn moeder. "Er zijn mensen die veel grotere problemen hebben. Er liggen er nog duizenden bedolven."
De inwoners van Gölcük beginnen moe te worden. Onafgebroken zijn ze in touw om in het puin te graven, eten rond te brengen en gewonden te verzorgen. De meesten brengen de nacht nog steeds buiten door, omdat hun huizen zijn verwoest of uit angst voor nieuwe aardschokken. Overal langs de straten liggen mensen te slapen of kijken vermoeid en wezenloos voor zich uit.
Veel burgers proberen het rampgebied uit te vluchten om onderdak bij familieleden of bekenden te vinden. De wegen rond de stad zitten overvol. Gewapende militairen proberen de stroom auto's in goede banen te leiden en tegelijk ruimte te houden voor de talloze ambulances en brandweerwagens die af en aan rijden. Af en toe moeten de soldaten in de lucht schieten om hun gebaren kracht bij te zetten.
De grote elektrische klok op het stadsplein blijkt ook aan de achterzijde een wijzerplaat te hebben. Daar wijst het uurwerk twee minuten voor drie aan. De tijd is voor Gölcük teruggezet. Helaas niet voor twee minuten.