Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep
  Algemeen

In de stad kun je pas echt jezelf zijn

 „Waarom is dat eigenlijk zo’n probleem: een dakloze op een bankje?” Foto FBF.nl

„Waarom is dat eigenlijk zo’n probleem: een dakloze op een bankje?” Foto FBF.nl

Stadslucht maakt mensen vrij. Of toch niet? Is het misschien beter in een dorp te wonen? Tijdens de Nacht van de Filosofie wordt volop over de vragen gediscussieerd. „In een stad ben je lekker anoniem.”
Het is elk jaar weer een hele happening: de Nacht van de Filosofie in Amsterdam. Vorig jaar nog op zaterdagavond, dit keer is de nacht verschoven naar de vrijdagavond. In cultuurcentrum Felix Meritis had het evenement afgelopen vrijdagavond plaats. Deze moest het hoogtepunt vormen van april als de Maand van de Filosofie. In vier zalen werd gepraat, gediscussieerd en geïnterviewd.

Omdat sinds dit jaar meer dan de helft van de wereldbevolking in een stad woont, leek het de organisatoren een goed idee ”de stad” op de agenda te zetten. Burgemeester Cohen sprak erover in zijn openingswoord in de concertzaal. „We moeten waken over de veiligheid en vrijheid van de stadsbewoners. De stad moet door een tweedeling niet gaan schiften en uiteenvallen: een deel met hoge versnelling en veel kenniseconomie en een deel met niet goed op de arbeidsmarkt aangesloten medeburgers”, waarschuwt hij. Paul Scheffer en Bas Heijne gingen met elkaar in gesprek over „het onbehagen van de stadsbewoner.” En de filosoof Frank Ankersmit kreeg de Socrates Wisselbeker voor het beste filosofische boek van het afgelopen jaar. In ”De sublieme historische ervaring” (2007) bekritiseert hij de theoretische benadering in de filosofie en de geschiedschrijving. Volgens Ankersmit laat deze geen ruimte open voor de ervaring.

Niet relaxed meer
In de zuilenzaal probeerde Joep Dohmen duidelijk te maken waar zijn essay ”Het leven als kunstwerk” over gaat. Dohmen is hoogleraar aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht. Een halfuur mocht journaliste Elma Drayer van dagblad Trouw hem vragen stellen. Het boterde niet tussen die twee. Dohmen praatte over een „crisis van deze tijd”, over „de ongehoorde dominantie van de liberale levenshouding” en het „hedonisme” van tegenwoordig. „De manier waarop we het nu doen is helemaal mis.” Wat is er dan precies mis met ons, vroeg Drayer. Of Dohmen concreet wil worden. De beste man komt niet veel verder dan een rumoerige kruising waar de auto’s toch wel heel snel optrekken. „We zijn niet relaxed meer.” Is Dohmen een cultuurpessimist, vraagt Drayer. Nee, dat is hij nu juist niet, antwoordt de filosoof. „De échte cultuurpessimist heeft een idee van hoe het moet zijn, heeft een blauwdruk, bijvoorbeeld Christus aan het kruis.”

Hoewel Dohmen soms een verstandige opmerking maakt, mist hij het contact met zowel zijn interviewster als zijn publiek. Het wordt niet duidelijk wat zijn essay nu precies toevoegt aan alle boeken die al geschreven zijn tegen een doorgeslagen autonomie.

Enge ogen
Heel wat spannender is het debat tussen vier teams Amsterdamse scholieren. Zij zagen elkaar door over de vraag hoe een ideale stad eruit zou kunnen zien. Een jury van twee filosofen en een intercultureel manager deelt punten uit voor argumentatie, diepgang, gevatheid et cetera.

Stelling: In de stad kun je jezelf zijn. Nee, zegt de eerste groep. Er zijn veel mensen die naar je kijken. Daar word je juist onzeker van.

De andere groep is voor de stelling. „In een stad ben je juist lekker anoniem.”

Nee, blijft de eerste groep volhouden. „Met al die enge onbekende ogen durf ik niet mezelf te zijn.” Kun je überhaupt wel jezelf zijn, oppert een meisje een nieuw idee. „Al als klein kind leer je van je ouders bij het lopen twee benen te gebruiken. Dan kun je dus al niet jezelf zijn.”

Een jongen uit de eerste groep werpt tegen: „Je moet ”jezelf zijn” zien als ”je prettig voelen bij wat je doet”. Dat kan in de diversiteit van een grote stad beter dan in een dorp.”

Daar is de andere groep het natuurlijk niet mee eens: „Omdat er zo veel mensen in een stad zijn, zoek je je eigen clubje op. Juist in een dorp mixt alles veel beter.”

Daklozen
In de Shaffyzaal draait een filmfragment over de nieuwe roman van Joke Hermsen, ”De liefde dus”. In die roman reconstrueert Hermsen een periode in het leven van Belle van Zuylen, waarin deze achttiende-eeuwse schrijfster een conflict in de liefde overwint. Op de achtergrond speelt de tegenstelling tussen de stad (Parijs) en het platteland, aan de vooravond van de Franse Revolutie.

Hermsen ziet bij Van Zuylen een verschil tussen haar brieven en haar romans. „In de romans is Van Zuylen netter, houdt ze zich meer in. De brieven zijn veel vrijer, veel brutaler. Ik heb meer vrouwen betrapt op deze dubbele houding. Zodra ze het publieke leven betreden, houden ze zich meer in. Welke verklaring daarvoor valt te geven? Het zal toch wel weer een soort van gehoorzaamheid zijn.”

Indrukwekkend is de voordracht van politicologe Wytske Versteeg over een eigen categorie stadsbewoners: de daklozen. Ze legt op scherpzinnige wijze de vinger bij Nederlandse beleidsteksten die over daklozen schrijven als „iets dat visuele overlast bezorgt en daarom uit de publieke ruimte geweerd moet worden. Het beleid verbindt hulp aan daklozen altijd met hun zichtbaarheid. We spreken dan over de stad ”schoonvegen”.”

Versteeg hekelt de corpulente wethouder van Amsterdam-Zuid die in driedelig pak test of de nieuwe bankjes toch vooral ongeschikt zijn om je op uit te strekken. Stel je voor dat er daklozen op gaan liggen slapen. „Waarom is dat eigenlijk zo’n probleem: een dakloze op een bankje?” Versteeg pleit ervoor de afgewende blik van de nette burger te vervangen door de nieuwsgierige blik van het kind. „Durven we de vreemdeling nog dichterbij te laten komen?”

Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels