Inmiddels verloopt Anita’s weekprogramma volgens een vast ritme. Ze volgt op een scholengemeenschap in de buurt de opleiding vmbo kader, waarbij het voor haar nog wel een leerdoel is niet meer te spijbelen. Toch toont ze zich vastbesloten de schoolopleiding af te maken. „Ik wil graag een goede toekomst hebben”, zegt Anita, die kapper wil worden.
Twee halve middagen per week vervult de tiener een taakstraf. „Ik heb een meisje in elkaar geslagen”, verklaart ze. „Ze keek me altijd zo arrogant aan. Haar moeder en zus hadden me ook een keer bedreigd. Op een dag kreeg ik op school woorden met haar en sloeg ik erop los.”
De rechter legde Anita 32 uur taakstraf op: 20 uur omdat ze een meisje had toegetakeld, 12 uur omdat ze in het bezit was van een boksbeugel. „Ik moest die even bewaren voor een vriend, maar was vergeten hem terug te geven. Ik heb hem nooit gebruikt.”
Ze vervult haar taakstraf bij een kringloopwinkel. „Wat ik daar doe? Een peukie roken, soms een beetje schoonmaken. Het stelt niet veel voor”, zegt Anita, terwijl ze buiten aan een picknicktafel een shagje draait.
Een keer per week volgt ze met haar groepsgenoten een equiptraining bij Jeugdhulp. „Daar leer ik hoe ik met mensen moet omgaan, hoe ik mijn agressie beheers. Ik moet op een goede manier boos worden, zonder te gaan schelden, vloeken en met spullen te gooien. De cursus helpt me om rustig te blijven. Als iemand irritant tegen me doet, kijk ik die nu alleen maar arrogant aan.”
Ondanks de verbetering die ze ziet, beseft ze dat het nodig is de behandeling de komende tijd nog te vervolgen. „Als ik dat niet doe, gaat het straks misschien ineens weer fout. Dan ontplof ik op den duur toch weer.”
Erg schrikken
Bij aankomst in het behandelcentrum gaf Anita aan dat ze het liefst „gewoon weer thuis wil wonen.” Inmiddels is de thuissituatie –Anita groeide samen met een broer en zusje op bij haar moeder en (stief)vader– behoorlijk veranderd. „Toen ik net op de groep zat, zijn mijn ouders uit elkaar gegaan. Dat was heel erg schrikken. Er speelden al wel langer problemen, maar ik dacht juist dat het weer beter ging tussen mijn ouders.”
Vooral de eerste periode in het behandelcentrum miste Anita haar familie. Nu mag ze één keer in de twee weken een weekend naar huis. Tussendoor heeft ze telefonisch contact. „Ik mag twintig minuten per week met mijn vrienden bellen, en onbeperkt met mijn ouders. Maar ik wil gewoon bij hen zijn.”
Dat betekent dat ze op den duur moet kiezen of ze bij haar vader of bij haar moeder zal gaan wonen. „Daar zit ik wel mee. Maar ik denk dat het mijn moeder wordt. Ik ben echt een moederskindje.”