Meer dan 6000 mensen verliezen in Kobe het leven, in de vroege morgen van 17 januari 1995. Het gebeurt om kwart voor zes; de aarde beeft en trilt. In de chaos die dan ontstaat, komen duizenden om. Nog geen kwartier later zijn ze er niet meer.
„Het is een nachtmerrie; die 17e januari, inktzwarte duisternis. Ik heb zo veel pijn. Ik kan nauwelijks ademhalen. Ik zoek m’n zus. Zij zit klem onder het dressoir. Mijn ademhaling wordt zwakker. Er schijnt geen einde te komen aan het wachten, maar dan ineens word ik uit het puin getrokken.”
Eerst lijkt niets bij de grijze streepjes op de film te wijzen op haren van een meisje, maar dan ineens blijkt het haar hoofd te zijn en even later trekken reddingwerkers haar uit het puin omhoog. Eerst is haar grauwe hand, tussen de stenen, op de film te zien. Een hand als van een dode.
De film draait nu ruim twee jaar in Kobe, in het aardbevingsmuseum dat in 2002 openging. Al meer dan twee jaar vertelt het meisje de hele wereld haar verhaal: miljoenen kwamen in Kobe naar het museum, miljoenen zagen haar hoofd en haren in het puin, en haar asgrauwe hand, en miljoenen weten niet wie ze is. Dat blijft zo. Ze is het anonieme meisje. Zoals zo veel meisjes en jonge vrouwen, maar niet alleen zij, hun verhaal in Kobe hebben. Wie heeft er geen verhaal bij 17 januari 1995?
Het anonieme meisje heeft niet alleen een verhaal, ook een boodschap, een overtuiging.
„Mijn broer en ik worden gered, maar mijn zuster? Zij zit nog steeds klem daar… Het vuur komt dichterbij. Ik hoor mijn zus gillen. Vergeet mij en ren, riep ze nog...
De loeiende vlammen. En dan mijn zus. Ze probeert te knikken. Mijn ouders schreeuwen en gillen.
Wij worden meegenomen naar het ziekenhuis, maar daar is het een chaos, net als overal in de stad. Muren zijn ingestort, de elektriciteit is uitgevallen en er is geen water. Alles wat ik hoor zijn schreeuwende stemmen.
Het gymnasium zit overvol met mensen. Sommigen hebben hun kinderen verloren, anderen hun ouders. Maar ze zijn allemaal in veel dieper verdriet dan ik.
Het evacuatiecentrum is verre van comfortabel. Stemmen houden ons ’s nachts wakker en onplezierige luchtjes vullen de lucht.
Overleef ik omdat ik geluk had? En zij die verdwenen, waren die bezig mij daarvan te overtuigen? Ik heb het overleefd en nog kan ik het antwoord op de vraag waarom, niet vinden.”
Serene, droevige muziek ondersteunt de stem van het vijftienjarige meisje.
„Mijn zus zou nog zo veel hebben willen doen. Hoe zal ik ooit kunnen bevatten hoe verdrietig ze was?
Leef verder. Dat zijn de woorden van mijn zus. Die woorden stoppen mijn hart.
Het leven is hard in Kobe. Alles in de stad is stoffig en vies. Een noodwoning van twee kamers is ook geen luxe, voor vader, moeder, m’n broer en oma. De weg naar school is ver en het wachten op de bus duurt elke dag lang.
De fabriek waar mijn vader werkt, is ermee gestopt. Het is bedroevend, maar niemand heeft nog een traan over om die in deze omstandigheden te laten. Mijn hart voelt dood.
Zo veel mensen komen ons na de aardbeving helpen. Kop op! Dat willen ze. Maar ik weet juist niet wat te doen. Ik ben hopeloos.
Mensen zijn verbazend, toch? We starten met werk. Ik word getroffen door de enorme moed van de vrijwilligers. M’n gevoel verzacht en ik voel me gelukkiger. Dank jullie wel.
Ik kan zo niet door blijven gaan; ik moet verder. Ik moet weer kracht opbouwen, van mezelf. De stad verandert dag bij dag en ontvouwt geleidelijk z’n bedrijvigheid.
Ons gezin houdt een dienst gewijd aan de dood van m’n zus. En we hoorden haar wens, haar stem: Ga door.
Mijn vader en moeder krijgen beiden weer een parttime baan. Ik help met het werk in de huishouding.
Velen verloren in de aardbeving hun leven, inclusief mijn zus. Ik kan het nu voelen: mijn zus houdt me in leven.
Het bedrijf waar mijn vader werkte, is weer herbouwd. Ik kan weer naar school. Het is prachtig te mogen leven en vrienden te hebben, toch?
Er is zo veel tragedie in deze dagen; iedereen draagt pijn. Maar waar die mensen leven, daar is de stad waar ik van houd. Ook al ziet de stad eruit alsof er nooit iets bijzonders is gebeurd, ik hoop dat deze dag, de 17e januari nooit zal worden vergeten en dat het een dag voor de hele wereld wordt, om te denken aan het voorkómen van rampen en vrijwilligerswerk.
Nu ik ben opgegroeid, kijk ik naar de mooie stad en bedenk hoe sterk mensen kunnen zijn. Het is de warmte van de stad die de gewonde harten geneest.
Ik bid, heel serieus, laat de stad die zo veel levens verloor, kunnen herstellen en stralen van gevoelens van hoop.
Wat ik nu kan doen, is leven met de stad. Elke dag zonder spijt leven. Omdat ik denk dat dit de beste manier is om dankbaarheid te tonen voor mijn gekregen leven. Voor onze stad, voor onze toekomst.”
17 januari 1995: een dag die niet vergeten mag worden. Japanse scholieren maken opdrachten in het Disaster Reduction Institute in Kobe. Foto RD