Dankzij de massale inzet van uiterst moderne jagers, bommenwerpers, gevechtshelikopters en ander vliegend spul slaagde de Brits-Amerikaanse coalitie er dit voorjaar in binnen 25 dagen Irak te veroveren. Het luchtwapen en het absolute technologische overwicht van de westerse landen bewezen zich opnieuw. Reden om geld te blijven pompen in de ontwikkeling van militaire luchtvaarttechnologie.
Insect
Het is het jagerontwerp voor de 21e eeuw: de Lockheed Martin F-22 Raptor. De F-22, met de grootste omzichtigheid in Fort Worth in Texas in elkaar gezet, kent talloze stealth-kenmerken. Het toestel is op de (vijandelijke) radar kleiner dan een insect, dus nagenoeg onzichtbaar.
Eind oktober mocht het Amerikaanse publiek de Raptor (Roofvogel) voor het eerst zien. De show op Edwards Air Force Base in Californië ging gepaard met typisch Amerikaanse grootspraak. Bijvoorbeeld over de kracht van het toestel: ”First look”, ”first shot” en ”first kill”. Een van de piloten, majoor Jim Dutton, zei: „In dit herdenkingsjaar van honderd jaar vliegen willen we laten zien hoe de Verenigde Staten de komende dertig jaar luchtoverwicht houdt.”
In het najaar van 2004 krijgt een luchtmachtsquadron op Langley Air Force Base in Virginia de primeur om met de F-22 te vliegen. Het nieuwe Amerikaanse toestel heeft het vermogen om met de onwaarschijnlijke supersonische snelheid van 2654 kilometer per uur (Mach 1,4) te kruisen, zonder naverbranding te moeten gebruiken. Dit fenomeen heet in luchtvaartkringen ”supercruise”. Vroegere jagers, zoals de F-16, kunnen ook wel supersoon vliegen, maar alleen gedurende korte demarrages, waarbij het gebruik van de naverbrander noodzakelijk is. Deze naverbrander slurpt niet, maar zuipt de brandstoftanks leeg.
Messen
Het toestel kan door gerichte stuwdruk via de twee Pratt & Whitney F119-100-turbofans ingewikkelde manoeuvres uitvoeren. Dit geeft een nieuwe dimensie aan luchtgevechten, doordat de piloot bochten kan maken op een manier die eerdere vliegtuigen zou laten overtrekken of spinnen.
Toys for the boys (speelgoed voor de jongens)? Het Raptor-project ligt in de Verenigde Staten onder vuur, vanwege de extreme kosten. De prijs van de F-22 ligt op 180 miljoen dollar per stuk, exclusief ontwikkelingskosten. De vraag kan iedere politicus verzinnen: Waarom hebben we een dergelijk toestel nodig als jonge moslimterroristen, bewapend met messen en een vliegbrevet, de WTC-torens in New York neer kunnen halen?
Bovendien brengt de F-22 nauwelijks geld in het laatje. De Amerikanen weigeren anderen mee te laten kijken in hun (stealth-)technologie. Dat mag wel bij zijn afgeleide broertje: de Joint Strike Fighter.
De F-35, zoals de JSF inmiddels heet, is kleiner en veelzijdiger dan de F-22. Het toestel moet de betaalbare aanvalsjager voor de 21e eeuw worden. Het is een welbewust compromis tussen kosten en technologie. Nederland doet mee in de ontwikkeling van de F-35. Op termijn zal de Koninklijke Luchtmacht haar honderd F-16’s inruilen voor vijftig tot zestig F-35’s.
Traditie
Volgens deskundigen zijn de F-22 en de F-35 de laatste bemande gevechtstoestellen. De grootste bedreiging voor de heroïsche traditie van de militaire luchtvaart ligt in de ontwikkeling van onbemande vliegtuigen. In de (nabije) toekomst moet het zelfs mogelijk zijn om onbemande lucht-luchtgevechten te houden.
Technisch gezien is het makkelijk om in de civiele luchtvaart onbemand te vliegen. Het besturen van verkeersvliegtuigen vanaf de grond is een fluitje van een cent. Het begrip automatische piloot krijgt nog meer inhoud.
Toch is het onwaarschijnlijk dat de piloot van een Boeing of Airbus aan de grond blijft terwijl zijn of haar vliegtuig vertrekt. Reizigers zullen massaal weigeren mee te vliegen als de cockpit leeg blijft.
Onbemande vliegtuigen, aangeduid als ”drones”, op afstand bestuurde vliegtuigen (RPV’s) of onbemande luchtvaartuigen (UAV’s) zijn voor de militaire luchtvaart beter bruikbaar. Het risico van menselijke verliezen wordt zo volkomen ondervangen.
UAV’s kunnen verkenningsmissies uitvoeren die te riskant worden gevonden voor bemande vliegtuigen. Gevlogen door een technisch team op de grond sturen ze televisiebeelden of andere data door, bijvoorbeeld van een radar of infraroodsensors, en ze blijven vaak urenlang boven vijandelijke posities. De toestellen vliegen rond de 200 kilometer per uur.
Joystick
Tijdens de Amerikaanse aanval op Afghanistan in het najaar van 2001 kende het onbemande vliegen een primeur. De RQ-1 Predators werden voor het eerst gebruikt in een aanvalsrol; ze vuurden Hellfire lucht-grondraketten af.
Het robotvliegtuig is met zijn lengte van bijna 8,5 meter niet groter dan een Cessna-sportvliegtuigje. Het toestel weegt ruim 12.000 kilo. De propeller wordt aangedreven door een uit de kluiten gewassen motor van een sneeuwscooter: de viercilinder Rotax 914 met 113 paardenkrachten. Het toestel wordt vanaf de grond met een joystick bestuurd.
Waren tijdens de oorlog in Afghanistan nog maar drie types robotvliegtuigen actief, bij de recente strijd in en boven Irak opereerden tien soorten UAV’s.
Op 20 kilometer hoogte vloog bijvoorbeeld de Global Hawk, die met gevoelige sensors grote gebieden, tot wel 10.000 vierkante kilometer, in de gaten hield. Het apparaat volgde Iraakse legereenheden en draaide rondjes boven de grote steden. De informatie werd per satelliet doorgestraald naar de commandocentrales.
Nederland blaast in het onbemand vliegen een klein partijtje mee. Samen met Frankrijk wordt de haalbaarheid van een onbemand vliegtuig onderzocht. Vooralsnog lijkt het een iets te grote broek voor een klein land. De Koninklijke Landmacht tobt al jaren met een onbemand verkenningsvliegtuig, de Sperwer. Het ding staat meer aan de grond dan dat het in de lucht hangt.