Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep
  Algemeen

Een band met het zwarte schaap

 Dag in, dag uit trekt Aart van den Brandhof er met zijn schapen op uit. „Een schaap is een gemakkelijk dier. Het is volgzaam en trouw aan de kudde. Het dier is ook sociaal en doet geen vlieg kwaad.” Foto RD

Dag in, dag uit trekt Aart van den Brandhof er met zijn schapen op uit. „Een schaap is een gemakkelijk dier. Het is volgzaam en trouw aan de kudde. Het dier is ook sociaal en doet geen vlieg kwaad.” Foto RD

„Het zijn er 300, mooi gezicht hè?” Met een brede grijns staat herder Aart van den Brandhof (48) zichtbaar te genieten. Mekkerend zoekt zijn kudde schapen zijn weg over de Ginkelse hei bij Ede. Een Hollandse herder en twee bordercollies houden de groep in het gareel. „Ik laat de kudde niet graag aan een ander over. Het zijn toch mijn schapen.”
Uit de wolken valt af en toe een spat regen. De wind heeft vrij spel over de golvende hei. De honderden schapen zoeken langzaam hun weg. Een enkel jong probeert nog bij moeder wat te drinken.

Dag in, dag uit is Van den Brandhof met zijn schapen op de heide te vinden. „Winter of zomer, het maakt niet uit. Ik ga elke dag -ook in het weekend- met de kudde erop uit. Zaterdags en zondags moeten ze ook eten, net als ieder ander dier. Enige uitzondering is de lammertijd in februari en maart. Dan blijven ze ongeveer zes weken in de stal.”

Van jongs af aan is Van den Brandhof bekend met het beroep van schaapherder. „M’n vader had een kudde. M’n broer en ik gingen regelmatig met hem mee. Op die manier heb ik het vak geleerd.” Toch duurde het na de schooltijd dertien jaar voordat Van den Brandhof een eigen kudde onder zijn hoede nam. „Toen kwam er bij Stichting Edese Schaapskudde een vacature voor schaapherder.” In de periode daarvoor was Van den Brandhof huisschilder.

In het begin van zijn carrière als schaapherder nam Van den Brandhof de moeite om de dieren namen te geven. „Betsy bijvoorbeeld. Maar ik ben ermee gestopt. Als kinderen de naam van het ene dier wisten, wilden ze die van alle andere ook weten. En, er is geen beginnen aan. Elk jaar komen er weer tientallen dieren bij en vertrekt er een aantal.”

Het vertrek van de oudere én jongere dieren doet Van den Brandhof geen zeer. „De beste blijven hier en de rest wordt weideschaap of gaat naar de slacht. Het is nu eenmaal het beste voor de kudde. Als ik ze allemaal hier houd, geven de minder goede dieren ook hun genen door en gaat de kwaliteit van de kudde achteruit.”

Tussen de honderden witte ruggen steekt één zwarte rug schril af. De geboorte van het zwarte schaap is een bijzonder verhaal volgens Van den Brandhof. „Vijf jaar geleden kwam ik in de lammertijd ’s ochtends de stal binnen. Een moeder stond met haar twee jongen links om het hoekje. Daaromheen was een hele cirkel vrij. Alle andere schapen hadden afstand genomen van het zwarte beestje.”

Het zwarte schaap groeide uit tot een bijzonder exemplaar. „Het is een dominant dier binnen de kudde. Hij is forser dan de rest. Het is een mooi dier. Waar dat in zit? Het heeft een mooie glanzende kop en een rechte rug. Als ik nu naar de kudde loop, komt-ie zo op me af om zich te laten strelen.”

Van den Brandhof kent zijn schapen, de dieren kennen hem ook. „Dat merk ik ’s avonds. Als de hele kudde rustig in de stal ligt te herkauwen en ik neem nog even een kijkje, blijven ze liggen. Komt een vreemde mee, dan komt de hele zaak overeind.”

Geen moment verliest de herder op de hei zijn dieren uit het oog. Dat mag ook niet volgens hem. „Opletten, voortdurend opletten. De honden maken m’n werk een stuk gemakkelijker. Maar door goed op te letten, weet ik zeker dat ik ze alle 300 vanavond in de stal heb.”

Van den Brandhof geniet van zijn dieren. „Een schaap is een gemakkelijk dier. Het is volgzaam en trouw aan de kudde. Het dier is ook sociaal en doet geen vlieg kwaad. Een kind kan dwars door de kudde heenlopen. Kinderen vinden de dieren ook helemaal geweldig. Al zijn ze nog maar twee of drie jaar, als ze de kudde zien, willen ze de beesten aaien.”

Het werk van een herder is geen negen-tot-vijf-baan, aldus Van den Brandhof. „Gemiddeld ben ik er 55 tot 60 uur mee in touw. Elke avond ga ik nog even bij de kudde kijken. Als er wat is, probeer ik het zelf op te lossen. Zomaar een dagje erop uit gaat niet. Als m’n vrouw zegt: Ik wil dan en dan winkelen, is mijn antwoord: „Eerst afwachten of er genoeg gras in de weide bij huis staat.””

Dit is het derde deel in een serie over een bijzondere verhouding tussen mens en dier.

Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels