Astronomen denken dat er op het moment net voor de oerknal –op tijd 0– een singulariteit –een minuscuul stipje niets– was met een oneindige dichtheid. Ze vermoeden dat er daarvoor geen tijd bestond, net zomin als natuurkundige wetten.
Voor andere astronomen gaat dit veel te ver. Want voor het ontstaan van zo’n singulariteit moet er een Schepper zijn. En dat klopt niet met hun atheïstische ideeën.
Zij geloven liever in een eeuwig heelal, al klopt dat niet met de feiten die astronomen in het heelal ontdekken.
Inmiddels is duidelijk dat de bewijzen voor een oersingulariteit en dus ook van een oerknal tekortschieten.
De kerk belijdt al eeuwen een schepping uit het niets (NGB art. 12). De Bijbel spreekt daarbij ook over de tijd. In den beginne is ook de tijd geschapen. In Genesis 1 is er direct sprake van dagen met een avond en een morgen.
Er is zelfs tijdsverloop in de geschapen hemel. God schiep de engelen; sommigen komen in opstand; Christus in Zijn menselijke lichaam en de zielen van overleden kinderen van God gaan de hemel in; er is een halfuur stilte (Openbaring 8:1).
Theologen concluderen uit Openbaring 22:1-5 dat in de hemel en in de hel, ook na de wederkomst, geen tijdloosheid zal zijn. ”Eeuwig” betekent eindeloos. God zal de eens geschapen tijd dus niet meer vernietigen.
Alleen God staat boven alle tijd. Hij bestond voor de geschapen tijd. Hij is van eeuwigheid tot eeuwigheid (Psalm 90:2), zonder begin van dagen, noch einde des levens (NGB art. 9). God kent het verleden, het heden en de toekomst volmaakt, maar Hij leeft Zelf in een eeuwig heden.
Dit is het vijfde deel in een serie over schepping en evolutie.