Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep
  Algemeen

Het laatste transport uit Vught

In Kamp Vught stond hij al op de lijst van gevangenen die daar gefusilleerd moesten worden. Begin september 1944 ging Leo van Deene echter op transport naar het Duitse Sachsenhausen. Daar zou hij alsnog de dood moeten vinden. Het liep anders. Zestig jaar later wordt Van Deene (80) nog emotioneel als hij spreekt over medegevangene Joop Zwart. „Uiteindelijk heb ik mijn leven aan hem te danken. En niet alleen ik, maar ook 430 andere mensen.”

Begin juni 1944 werd verzetsman Leo van Deene op 20-jarige leeftijd in Den Haag gearresteerd door de SD. „Ik werd ervan verdacht met een illegale groep een overval op een distributiekantoor te hebben gepleegd om bonkaarten voor onderduikers te bemachtigen.”

Hij kwam in het Oranjehotel in Scheveningen terecht. „Eind juli werden we geboeid, in een vrachtwagen gestopt en naar het station gebracht, onder begeleiding van Nederlandse politie in burger. Vervolgens gingen we met de trein naar Vught. Ik werd met ongeveer dertig mensen het kamp binnengebracht.” Hij ziet het allemaal nog voor zich. „De grote slagboom, de administratie. Ik heb eerst kort in de bunker opgesloten gezeten. Daarna kwam ik in het gedeelte met de SD-barakken terecht.”

In elke barak zaten zo’n veertig mensen. „Je kwam niet buiten. Het was één grote cel: een dagverblijf, met wat tafels, en daarachter een slaapzaal. We liepen allemaal in burgerkleding. Over de reden waarom we daar zaten, spraken we niet. De zaken waarvoor we waren opgepakt, waren nog niet uitgezocht. De Duitsers maakten ook gebruik van stromannen om aan informatie te komen. Je vertrouwde niemand.”

Schietbaan

Over de dagindeling kan Van Deene kort zijn. „’s Ochtends opstaan, ’s avonds naar bed gaan. Het kampleven heb ik niet meegemaakt. We waren volkomen geïsoleerd. Elk contact met de buitenwereld was verbroken. Post en Rode-Kruispakketten kregen we niet. Wel kwam één keer per week mevrouw Van Beuningen, die achteraf bij het Rode Kruis betrokken bleek te zijn, met nog enkele dames lunchpakketten brengen: een pakje brood, goed belegd. Verder aten we koolsoep met ”Pelkartoffeln”, in de schil gekookte aardappels. Het was weinig, maar ik kan niet zeggen dat we enorme honger leden.”

Met de SS’ers hadden de gevangenen weinig contact. „Soms werden er mensen weggeroepen voor verhoor. Later kwamen we erachter dat van iedere gevangene in het SD-gedeelte in feite al vaststond dat hij gefusilleerd zou worden. Regelmatig werden namen bekendgemaakt van mensen die zich ”transportfertig” moesten maken. Ik zal het nooit vergeten. We stelden ons op in twee rijen. De gevangenen die werden weggehaald, liepen daar tussendoor. Dan namen we allemaal persoonlijk afscheid van hen”, zegt Van Deene geëmotioneerd. „Even later hoorden we de schoten op de schietbaan.”

Angst dat zijn naam op een dag zou worden genoemd, had Van Deene niet. „In een concentratiekamp moet je je gedachten uitschakelen. Anders ga je te gronde. Je wordt onverschillig, je loopt als een paard met oogkleppen voor. Ik heb wel eens momenten gehad, ook later in Duitsland, dat ik dacht: Het hoeft voor mij niet meer.”

Kanongebulder

Begin september drong geallieerd kanongebulder door tot de SD-barakken in Vught. „We dachten: Nu kan het niet lang meer duren, de bevrijding is nabij.” Op 6 september had het laatste transport van gevangenen uit Vught plaats. „Die ochtend werden we uit de SD-barakken allemaal naar de appèlplaats gedreven. Daar stonden hele groepen medegevangenen, ook uit de vrouwenbarak. We moesten allemaal op transport.”

Eind van de middag reed de trein weg. „Waar we naartoe gingen, wisten we niet. We zaten met zo’n tachtig mensen in een beestenwagen. Heel benauwd. Om de beurt gingen we even voor een luchtkoker staan. Sanitaire voorzieningen waren er niet. Ieder deed z’n behoefte in een hoek van de wagon. De reis duurde drie dagen en drie nachten, zonder eten. Een enkele keer kregen we wat water.”

Onderweg stond de trein af en toe stil. In de eerste nacht hoorde Van Deene tijdens zo’n stop een enorm geschreeuw. „Achteraf bleek dat er uit de wagon achter ons zes of zeven gevangenen waren ontsnapt door een luik dat ze hadden ontdekt onder het stro. We stonden onder bewaking van Nederlandse SS’ers. Die waren nog erger dan de Duitsers. De mensen die zich in een sloot hadden verstopt, zijn niet gevonden. Als represaille zijn in de desbetreffende wagon twee mensen doodgeschoten. De SS’ers lieten hen gewoon liggen. Pas in Ravensbrück werden de lijken eruit gehaald.”

Voetmars

Voor Van Deene was Sachsenhausen het eindstation. „Dat zat als het ware aan Oranienburg vastgeplakt, waar van 1934 tot 1936 het eerste concentratiekamp in Duitsland was. Via de appèlplaats werden we groepsgewijs een barak binnengebracht. Daar zijn we kaalgeschoren, kregen we gevangeniskleding aan en kregen we een kampnummer. Als je me ’s nachts wakker maakt, weet ik het meteen: 101.174.”

Vervolgens werden de gevangenen over diverse barakken verspreid. „Het kamp was overbezet. Ik kon plaatsnemen in een krib waarin al twee Polen lagen te slapen. De volgende dag werden we weer bij elkaar getrommeld. We gingen in een voetmars naar de Heinkel-fabriek, een buitencommando van Sachsenhausen. Daar werden we in een grote, lege vliegtuighangar ondergebracht. Vandaar ging ik na een week terug naar Sachsenhausen. Het hele Vught-transport is toen uit elkaar gevallen.”

Op 22 april 1945 werd Sachsenhausen door de Russen bevrijd. „In juli 1945 kwam ik thuis”, zegt Van Deene. „Er werd geen aandacht aan ons besteed. Ik mocht een tweedehands broek en jasje uitzoeken en kreeg een bon voor een paar schoenen. Van de Stichting 40-45 kreeg ik 25 gulden toegestuurd. Dat bedrag kon ik gebruiken om bij te komen voordat ik weer aan het werk zou gaan.”

Grijze massa

Van Deene ging aan de slag als rijksambtenaar. Over zijn kampervaringen sprak hij niet. „Met mijn familie niet, met mijn vrouw niet. Met niemand.” Nadat hij op 55-jarige leeftijd met vervroegd pensioen was gegaan, drongen de herinneringen aan het laatste oorlogsjaar zich ineens weer aan de oud-kampgevangene op. „Dan zit je in je stoel en begint de grijze massa toch te werken. Je kunt proberen het te verdringen, maar het komt een keer naar boven.”

In 1992 ging Van Deene voor het eerst op zoek naar andere overlevenden uit het Duitse kamp. Het contact met de Nederlandse Vriendenkring Sachsenhausen bleef niet zonder gevolgen. Al spoedig zat hij als secretaris in het bestuur, inmiddels is hij voorzitter. „Ik heb er meer dan een dagtaak aan.” Hij bezoekt het voormalige kamp nu jaarlijks, onder meer om de internationale herdenking van de bevrijding rond 22 april en de Nederlandse dodenherdenking op 4 mei bij te wonen.

De eerste keer dat hij na de oorlog in Sachsenhausen kwam, staat onuitwisbaar in zijn geheugen gegrift. „Ik ben er met een paar familieleden heen gegaan, omdat we in de buurt waren. Op het moment dat ik op de binnenplaats kwam, viel er iets op me. Het was een lege appèlplaats, maar ik zag dat-ie vol was. Ik kreeg het te kwaad. Op de plaats waar ik jaren eerder had gestaan, heb ik toen een potje zitten grienen.”

Sanatorium

In het voormalige kamp in Vught kwam Van Deene in 1992 voor het eerst terug. Die ervaring was totaal anders dan die in Sachsenhausen. „Het liet me koud. Hoe dat komt? Er is een hemelsbreed verschil tussen Vught en een Duits concentratiekamp. In vergelijking met Duitsland was Vught een sanatorium.” In het Reeburgpark achter het gemeentehuis in Vught staat een monument ter nagedachtenis aan degenen die in het Duitse kamp om het leven kwamen. „Vught was namelijk de bakermat van de meeste Nederlanders die in Sachsenhausen zijn omgekomen.”

Het greep Van Deene aan toen hij na de oorlog hoorde dat hij volgens het plan van de SS al in Vught gedood had moeten worden. „Het gebeurde niet, omdat er geen tijd meer voor was. Toen we op transport gingen, zijn de dossiers van de mensen uit het SD-gedeelte, ongeveer 430 personen, apart verpakt. Er zat een order bij dat we direct na aankomst in Sachsenhausen gefusilleerd moesten worden. Daar moest het karwei worden afgemaakt.”

Op de administratie in Sachsenhausen kwamen de dossiers in handen van de Nederlandse communist Joop Zwart. „Deze gevangene werkte daar als ”Vorarbeiter”. Hij heeft onze dossiers gemengd met andere, om de zaak onoverzichtelijk te maken. Kort daarop heeft hij aan een Duitse stoker in het crematorium -ze kenden elkaar als Vorarbeiters- gevraagd de SD-dossiers te verbranden. De stoker wilde dat doen als hij de spullen ongemerkt in handen zou krijgen. Joop Zwart verwisselde ook nummers van mensen die gefusilleerd moesten worden met die van gevangenen die al waren overleden. Op die manier heeft hij veel levens gered.”

Uiteindelijk kregen de Duitsers argwaan en werd Zwart zelf ter dood veroordeeld. „Op de dag dat hij zou worden gedood, werd er een bombardement uitgevoerd. Het was een chaotische situatie. Joop Zwart heeft zijn naam toen door vrienden van de administratie op de lijst laten zetten van mensen die op transport naar Bergen-Belsen gingen. Op die manier heeft hij de oorlog uiteindelijk overleefd.” Van Deene vertelt het zichtbaar geëmotioneerd. „Als je dat hoort, word je wel even stil. Uiteindelijk heb ik mijn leven aan hem te danken. En niet alleen ik, maar ook 430 andere mensen.”


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels