Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep
  Algemeen

Het beginsel uit het begin

 KOPPELAAR ...Bestuur, let op je zaak…

KOPPELAAR ...Bestuur, let op je zaak…

’t Blijft moeilijk voor J. H. Koppelaar. Dertig jaar stond hij aan het bestuurlijke roer van het Reformatorisch Dagblad. Vijf jaar geleden nam hij noodgedwongen afscheid. Een stuurman aan wal, die maar niet los kan komen van ’zijn’ krant.
Na dertig jaar het Reformatorisch Dagblad te hebben geleid, nam de president van de raad van bestuur J. H. Koppelaar (80) in 2001 afscheid. Noodgedwongen. Zijn leeftijd vorderde, zijn gezichtsvermogen nam af. Het viel hem moeilijk. „Ik voel dat, hoe dichter ik bij het afscheid kom, ik er eigenlijk geen afscheid van kan nemen. Natuurlijk had het allemaal veel beter gekund. Maar het is een stuk van m’n leven geworden, ik ben ermee vergroeid geraakt.”

Nu, vijf jaar later, is hij nog steeds niet los van de krant. Hoewel het lezen niet meer mogelijk is. Dagelijks krijgt Koppelaar een cd toegestuurd waarop de eerste pagina’s van de krant staan ingesproken. Een uur luistergenot. Hoewel hij ook zorgen heeft, blijft het zijn lijfblad.

Wat er dan allemaal beter had gekund? Koppelaar formuleert bedachtzaam en slaat zelfs de naamvals-ennen niet over. „Dat laat zich moeilijk in woorden uitdrukken. Zakelijk gezien verliep het allemaal voorspoedig. Maar ik had nog sterker het personeel moeten doordringen van het doel van de oprichters van de krant, hun vertellen welke wegen God wilde gebruiken om tot dat doel te komen. Het Reformatorisch Dagblad is geboren uit noodzaak om de tijd op een Bijbelse wijze te doorlichten. Een dam op te werpen tegen de ontwikkelingen van de tijd. We moeten in onze krant kunnen zien hoe God regeert. De wereld wordt niet bestuurd door mensen en machten, die dat misschien zelf wel denken. Het wereldbestuur ligt in Hogerhand, dat moeten we proberen te vertolken.”

Beleving
Daarbij mogen we er volgens Koppelaar niet aan voorbijgaan dat het RD voor de oprichters een zaak van gebed was. Maar „het gaat niet om het verheerlijken van het begin, maar om het vasthouden van het beginsel uit het begin. De behoefte aan een reformatorisch dagblad is vandaag de dag niet minder. Integendeel, het is noodzakelijker dan ooit en het zal ook in de toekomst noodzakelijk blijven. Ontwikkelingen moeten worden getoetst aan Gods Woord. Tegen het verkeerde moet gewaarschuwd. Dat zal wel steeds moeilijker worden, maar niet minder nodig. We leven in de eindtijd en satan zal al zijn krachten en machten openbaren om zijn strijd te winnen. Hij zal steeds listiger wegen bewandelen om zijn doel te bereiken, de ondergang van alle mensen. Dat moeten we onderkennen, daarvoor de lezer waarschuwen.”

Volgens de ex-president houdt een groot gedeelte van het personeel in Apeldoorn nog -misschien soms onbewust- rekening met de uitgangspunten van de oprichters. „Ik zou wel graag willen dat er meer zouden zijn die dat bewuster meemaken, bij wie het vanuit de beleving functioneert. Dat zou nog meer de uitglijders voorkomen. Dagelijks luister ik naar de krant. Dan kan ik het niet nalaten om soms hardop te reageren. „Hè, dat had niet gemogen, denk daar nou toch om, jongens.” Een uitdrukking bijvoorbeeld als ”kinderen op de wereld zetten”; wij zetten geen kinderen op de wereld! Dat had anders gezegd moeten worden. Dan zit ik achter m’n apparaat en zeg hardop: Bestuur, let op je zaak. Bestúúúr, let op je zaak!”

Weerleggen
Het RD bestaat 35 jaar. Koppelaar zegt zich nog voluit in het blad te herkennen. „Ik vind het nog steeds een wonder dat die krant mag verschijnen. Daar ben ik ontzettend dankbaar voor. Tegelijk zie ik sommige ontwikkelingen met zorg aan. Regelmatig worden interviews gehouden met allerhande personen. Ze weten hun zegje overtuigend te doen, maar het is de vraag of het overeenkomstig Gods Woord is. Is dat niet het geval, dan moet dat ook helder weerlegd worden. Of slikken we alles maar met de gedachte: Ach, die man of vrouw zegt dat nu eenmaal. Wat doe je eraan, dat is toch zijn mening?

Ik begreep dat de lezers gevraagd is hun mening over de krant te geven. Dan denk ik: Als dat maar goed gaat. Natuurlijk kun je de lezer aan het woord laten, maar dat mag nooit leiden tot een druk op de redactie om de redactionele formule aan te passen. Niet dat ik bezwaar heb tegen aanpassingen, maar ze moeten níét getoetst worden aan de mening van de lezer, maar aan Gods Woord. Binnen dat kader mag elke aanpassing wat mij betreft plaatshebben, graag zelfs als het leidt tot een verdere verbetering van de krant in deze tijd.”

Technische ontwikkelingen
Vooral de technische ontwikkelingen de laatste jaren hebben ingrijpende gevolgen gehad voor de media. „Telkens sta ik verbaasd welke technische mogelijkheden er inmiddels zijn. Maar het is -zoals ook de uitvinding van de boekdrukkunst al- een stap ten hemel en een stap ter hel. Er is niets nieuws onder de zon. Het blijft dezelfde strijd tussen het rijk van Christus en het rijk van satan. Het grootste probleem daarbij is dat ons hart geneigd is dat rijk van satan te dienen.”

Wereldmijding is geen goede optie, vindt Koppelaar. „Ik neig ertoe om de mijding níét te kiezen. We zijn hier in deze wereld en hebben te leven tot Gods eer, ons niet terug te trekken in een kloosterleven. De veranderingen als zodanig moeten we open tegemoet treden en toetsen aan hetgeen de Heere ons voorhoudt. We moeten gebruiken hetgeen mogelijk en nuttig is en loslaten hetgeen God ons verbiedt.”

Dat laat onverlet de beleving van ons vreemdelingschap op aarde, zegt Koppelaar. „Abraham, Jozef, Daniël, Nehemia - het waren mensen die in de tijd geplaatst waren en meededen in het maatschappelijk leven, hun beroep uitoefenden als een goddelijk beroep. Maar ze bleven vreemdeling als hun gevraagd werd mee te doen met de wereld. Dat was meer dan een uiterlijke belijdenis.”

Droevig
Afscheid nemen was voor Koppelaar steeds „een droevig iets.” „Het gezichtsvermogen wordt minder. Je komt meer en meer buiten het maatschappelijke leven te staan. Juist het verlies van de contacten doet mij pijn. Stukje bij beetje valt alles weg: het bestuur van de kiesvereniging, van het streekmuseum, andere organisaties. Maar het moeilijkst was het afscheid van het Reformatorisch Dagblad en het zondagsschoolwerk. Daar ging het meer dan waar ook om inhoudelijke zaken.

Jarenlang was je er -met alle gebrek- bezig om inhoud te geven aan hetgeen God van ons vraagt. Je kon er iets kwijt van die rijke boodschap. Jawel, van ’s mensen zijde is het onmogelijk geworden om Gods eer te bedoelen, maar er is een mogelijkheid die God gelegd heeft in Zijn Zoon, de Heere Jezus Christus. Het is altijd mijn grootste verlangen geweest daarover te spreken. In het Reformatorisch Dagblad kon je daarvan meer kwijt dan in bijvoorbeeld de politiek.

Het is een goddelijke waarheid die ik van harte omhels, hoewel ik mij ervan bewust ben dat er een groot verschil is tussen het persoonlijk deel hebben aan die waarheid en het uitdragen ervan.

Zo graag vertelde ik de kinderen ervan, wees ze heen naar Christus. Wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God door Jezus Christus. In Hem ligt álles! Ik ben de tachtig jaren gepasseerd, maar hoop de dienst des Heeren aan te mogen blijven prijzen. Dat zou ik niet graag willen loslaten, nee.”


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels