Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep
  Algemeen

Grijze massa geen maat voor IQ

 De neanderthaler was geen zwaar behaarde, brute wildeman.
 1 van 3  

De neanderthaler was geen zwaar behaarde, brute wildeman.

Hoe meer hersenen, hoe intelligenter. Hersenvolume is een belangrijk ontwikkelingskenmerk in de menselijke evolutie. Minstens twee fossielen lijken deze redenering echter onderuit te halen.
„De mens is het soort met het meest ontwikkelde brein. Het is dus niet verrassend dat de menselijke evolutielijn wordt gekenmerkt door een toename van hersenvolume”, beweert Fiorenzo Facchini in zijn vorig jaar verschenen boek ”Vroegste geschiedenis van de mens”.

Een aapachtige Australopithecus heeft een gemiddeld hersenvolume van 457 milliliter (ml), vergelijkbaar met dat van een chimpansee of een orang-oetan. De herseninhoud van Homo sapiens, de hedendaagse mens, varieert van ongeveer 800 tot meer dan 2000 ml. Homo erectus, de vermeende verre voorouder van H. sapiens, moest het doen met een grijze massa van 650 tot 1400 ml.

Slimme dwerg

Al vrij gauw stuiten wetenschappers echter op de grenzen van het afleiden van het IQ aan de hand van de hersenomvang. „Bij mensen is geen verband waarneembaar tussen het hersenvolume en intelligentie”, stellen Reinhard Junker, wetenschappelijk medewerker bij ”Wort und Wissen”, en Siegfried Scherer, hoogleraar microbiële ecologie aan de technische universiteit in München, in hun boek ”Evolution, ein kritisches Lehrbuch”.

Ze wijzen op de vondst van zes dwergachtige skeletten van de zogenaamde Floresmensjes op Bali in 2003. De Australische ontdekker Mike Morwood dateert ze op 13.000 jaar oud. De hobbits –nauwelijks een meter lang– hadden een herseninhoud van maximaal 430 ml en vertoonden toch het gedrag van een moderne H. sapiens, wiens hersenen drie keer zo groot zijn. Dat leiden wetenschappers af van het gereedschap en de slachtresten die ze in hun nabijheid aantroffen. Morwood zelf meent dat hij te maken heeft met de klassieke oermens H. erectus, maar „dan te heet gewassen.”

De 78-jarige Indonesische paleontoloog Teuku Jacob, die veel onderzoek doet aan de Floresmens, poneert in 2006 dat alle 94 beschreven kenmerken van de gevonden schedel –ook die van het gebit– binnen de normale variatie van H. sapiens vallen.

De nu gangbare verklaring is dat de Floresmens, net als de dwergolifant die hij bejaagde, kleiner is geworden, zoals vaker gebeurt op eilanden. Het brein is gewoon meegekrompen, betogen de Amerikaanse paleontologen Eleanor Weston en Adrian Lister deze maand in Nature.

De Australiër Adam Brumm concludeert in hetzelfde wetenschappelijke tijdschrift van juni 2006 dat „de bewering dat H. floresiensis te weinig hersencapaciteit heeft om stenen werktuigen te maken, is gebaseerd op voorbarige oordelen in plaats van op bewijs.”

Junker en Scherer beschouwen de hersengrootte niet als maat voor intelligentie. „De structuur van de hersenen is wel bepalend voor de indeling in het geslacht Homo.”

De datering van de H. floresiensis is overigens nog zeer onzeker. Zo meent Maciej Henneberg, paleopatholoog aan de universiteit van Adelaide, te zien dat een kies van de Floresmens gevuld is, waarschijnlijk na een wortelkanaalbehandeling. Op basis van CT-scans vermoedt paleoantropoloog John Hawks dat het om een noodvulling gaat. De hobbit is dus géén aparte prehistorische mensensoort, maar een recente moderne mens met toegang tot professionele tandzorg. Anderen, onder wie Weston en Lister, kennen het wezen juist meer ‘aapachtige’ trekjes toe vanwege zijn opvallend grote voeten, minimaal schoenmaat 30.

Zwakbegaafde aapmens

Behalve bij de Floresmens is de wetenschap verdeeld over de herseninhoud van de neanderthaler, een mensensoort die naar hun schatting 30.000 tot 800.000 jaar geleden leefde. Marcellin Boule, paleontoloog van het natuurhistorisch museum te Parijs, vindt in 1908 een skelet van deze prehistorische mens, tot dan toe het meest complete in Europa.

Boule maakt een reconstructie van ‘zijn’ neanderthaler, maar vindt de herseninhoud niet van belang – een gegeven dat bij de Floresmens wel zwaar weegt. Ondanks een volume van 1620 ml, meer dan van de moderne mens, kan de neanderthaler niet intelligent zijn, meent de Fransman. Dat Boule hieraan voorbijgaat is opmerkelijk, want evolutionisten zien juist de herseninhoud als maat voor intelligentie.

Boule dicht H. neanderthalensis enkele aapachtige kenmerken toe. Hij plaatst het hoofd vooruitstekend op de nek en laat de zwakbegaafde aapmens met gebogen knieën ‘lopen’.

De Amerikaanse wetenschappers Strauss en Cave ontdekken echter al in 1955 dat de neanderthaler, mits gezond, rechtop stond en liep als een hedendaagse mens. In hun ogen berusten de tekeningen van een zwaar behaarde, brute wildeman die huisde in de grotten op een ernstige misvatting. De neanderthaler –nu H. sapiens neanderthalensis genoemd– was waarschijnlijk een gewoon intelligent mens.

Britse onderzoekers aan de universiteit van Exeter concluderen in 2008 dat neanderthalers technologisch net zo slim en efficiënt waren als H. sapiens. Ook Gerrit Dusseldorp, die op 2 april aan de faculteit der Archeologie van de Universiteit Leiden promoveerde op een onderzoek naar het foerageergedrag van Neanderthalers, verdedigde in zijn proefschrift de opvatting dat deze prehistorische jager over een flinke dosis gezond verstand beschikte. Daarmee verloste hij hem van het imago van brute krachtpatser.

Intelligente potvis

Als hersenvolume werkelijk een maat zou zijn voor intelligentie, dan is de potvis het intelligentste wezen op aarde met een hersenvolume van ongeveer 9000 ml. Dat zal echter geen evolutionist willen beweren.

Paleontologen hanteren daarom het zogenoemde encefalisatiequotiënt (EQ), een verhouding tussen lichaams- en hersenmassa. Het geslacht Homo blijkt dan een veel hoger EQ te hebben dan de huidige mensapen en hun de fossiele voorgangers. Maar ook het EQ verklaart volgens Facchini niet waarom „in 3 miljoen jaar tijd de hersenafmetingen zijn verdriedubbeld. Het blijft een verbazingwekkend en moeilijk te verklaren verschijnsel.”

Dit is het derde deel over onderzoek naar vermeende menselijke voorouders.


Evolutionistische worsteling

Evolutionistische wetenschappers lijken zich niet te kunnen ontworstelen aan het veronderstelde verband tussen hersengrootte en intelligentie.

De Nederlandse paleoantropoloog Paul Storm vergelijkt in zijn boek ”Korte hoektanden, lange benen en een sexy brein” (2009, ISBN 9789078707073; 192 blz. € 29,95) de hersenomvang van overleden geleerden. De bekende Franse paleontoloog Georges Cuvier (1769-1832) had bijvoorbeeld een hersenomvang van 1830 ml, de Duitse arts Franz Josef Gall (1758-1828) van slechts 1198 ml.

„De hoeveelheid hersenmassa is gemakkelijk te bepalen, intelligentie niet”, schrijft Storm. „Het is niet zo dat hoe groter het brein, hoe intelligenter een soort is. Grotere dieren hebben meer hersenmassa nodig om een groter lichaam te besturen. Dit betekent niet per se dat ze slimmer zijn.”

Toch hecht de auteur sterk aan het veronderstelde verband tussen hersenomvang en intelligentie. Het evolutionaire dogma schrijft immers voor dat de hersenomvang van Ardipithecus ramidus tot H. sapiensis is toegenomen en daarmee ook de intelligentie.

Zo vermoedt Storm bij H. erectus een enorme vergroting van het brein ten opzichte van chimpansee en gorilla. „De hoeveelheid informatie die onthouden en verwerkt moest worden en doorgegeven aan het volgende geslacht, moet bij deze oermens groter zijn geweest dan bij leden van het geslacht Australopithecus en Paranthropus.”

Intelligentie en hersenomvang zouden daarmee toch gerelateerd zijn, want Storm veronderstelt natuurlijke selectie op basis van vergroting van het brein, terwijl hij eigenlijk intelligentie bedoelt.

Frappant blijft dat de veelgeroemde menselijke intelligentie als fenomeen nog steeds onbegrepen is.

Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels