Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep
  Algemeen

Grensoverschrijdende lastposten

 Wilfred Reinhold, hier bij een Japanse duizendknoop, attendeert met het Platform Stop Invasieve Exoten op biologische immigranten die werkelijk een bedreiging voor de samenleving vormen. Foto RD
 1 van 8  

Wilfred Reinhold, hier bij een Japanse duizendknoop, attendeert met het Platform Stop Invasieve Exoten op biologische immigranten die werkelijk een bedreiging voor de samenleving vormen. Foto RD

De muskusrat, ooit voor zijn bontjas uit Noord-Amerika gehaald, is in Nederland zo ingeburgerd dat niemand deze gravende lastpost meer als exoot ervaart. Ondertussen vergallen steeds meer ongewenste planten en dieren uit het buitenland het leven in deze contreien. De roep klinkt om met een harde anti-immigrantenpolitiek de toestroom van deze invasieve vreemdelingen te stuiten.
Op de achtergrond raast het verkeer over de A2, maar in tuinpark Amstel­glorie lijkt Wilfred Reinhold aan de hectiek van alledag te ontsnappen. De groene oase aan de rand van Amsterdam acht hij in ieder geval een geschikte locatie om het probleem van invasieve exoten te belichten. Wandelend naar zijn tuinhuisje heeft de natuurliefhebber zelfs een aansprekend voorbeeld binnen handbereik: de Japanse duizendknoop (Fallopia japonica).

„Deze plant wordt wereldwijd tot de honderd ergste exoten gerekend. Schiet een stukje wortel of stengel ergens wortel, dan heb je binnen de kortste keren een formidabele struik. In de meeste gevallen gaat het om vrouwelijke exemplaren met steriele meeldraden, maar recent zijn ook mannelijke planten gevonden die stuifmeel produceren. Zou er kruisbestuiving plaatshebben en verloopt de verspreiding ook via kiemkrachtige zaden, dan is het hek helemaal van de dam.”

Burgerschapsgevoel

De strijd tegen grensoverschrijdende lastposten neemt inmiddels een groot deel van Reinholds vrije tijd in beslag, vooral nadat hij vorige maand het Platform Stop Invasieve Exoten in het leven riep. Het begon allemaal met de tijgermug, die hij sinds 2006 op de huid zit. Het gevecht tegen het Aziatische steekbeestje vloeit niet voort uit een persoonlijke vete, maar heeft naar zijn zeggen meer te maken met burgerschapsgevoel.

„Ik las dat de rijksoverheid met enkele importeurs een overeenkomst wilde sluiten om verspreiding van dit levensgevaarlijke mugje in Nederland te voorkomen. Als milieujurist vond ik deze discussie interessant. Nieuwsgierig informeerde ik bij ministeries naar andere gezondheidsbedreigende exoten.

Volksgezondheid leverde alles wat ik wilde hebben, al was dat niet veel. Landbouw, waar op dit terrein de meeste expertise zit, wilde deze problematiek liever binnenskamers houden. Via een procedure in het kader van de Wet openbaar bestuur kreeg ik pas na acht maanden slechts 6 documenten, terwijl ik om 33 stukken had gevraagd. Na het indienen van een bezwaarschrift kreeg ik er nog drie, waarvan de helft van de tekst was weggelakt.”

Voorzorgsbeginsel

Verontrustend vindt Reinhold dat niet alleen de gewone burger, maar ook parlementariërs onvoldoende worden voorgelicht.

„In oktober 2007 zond de minister van LNV de beleidsnota Invasieve exoten aan de Tweede Kamer. Daarin werd met geen woord gerept over het zogeheten Achtergronddocument, dat de minister uitdrukkelijk adviseert het voorzorgsbeginsel te hanteren. Dus: uitgaan van schadelijkheid, tenzij het tegendeel is aangetoond.”

Tot nu toe komt de overheid alleen maar in actie als een soort duidelijke risico’s oplevert voor de agrarische sector, beweert Reinhold. „Of als er sprake is van invoer van bacteriën en virussen die zeer gevaarlijk zijn voor de volksgezondheid of de veestapel. Bij soorten die ‘alleen maar’ schadelijke effecten hebben op natuur, waterbeheer of gezondheid, blijft preventie of bestrijding meestal achterwege.”

Wel bracht het ministerie van LNV bij de Plantenziektenkundige Dienst (PD) in Wageningen op 1 januari het Team Invasieve Exoten (TIE) in stelling. „Met dit team geeft de overheid invulling aan afspraken die zijn vastgelegd in de ”Convention on Biological Diversity”. Op basis van dit internationale verdrag is Nederland verplicht om exoten te bestrijden. Maar die aanpak gaat niet ver genoeg, want het TIE, dat uit slechts drie ambtenaren van de PD bestaat, richt de aandacht alleen op soorten die de natuur bedreigen. Met gezondheidsbedreigende soorten zoals de rode vuurmier houden zij zich niet bezig, want die zouden door de minister van Volksgezondheid moeten worden aangepakt. Wat echter niet gebeurt. Zonder een afgestemd beleid vallen zaken dus tussen wal en schip.”

Grote schadepost

Zijn platform wil een eind maken aan dit verkokerde denken en tegelijk de aandacht vestigen op biologische immigranten die werkelijk een bedreiging voor de hele samenleving vormen.

„Het Nederlands Soortenregister heeft recent 924 van de 35.578 Nederlandse soorten als exoot aangemerkt, verdeeld over 420 dieren, 275 planten en 229 schimmels. In alle gevallen betreft het organismen die in Nederland van nature niet thuishoren en door menselijk toedoen, bewust of onbewust, meestal vanuit andere werelddelen, hier zijn terechtgekomen en zonder hulp zich explosief ontwikkelen. Denk aan snuitkevers die met struiken uit Spanje ons land worden binnengebracht of zeedieren die met ballastwater van schepen de oceanen overgesleept worden.”

De lijst is volgens Reinhold verre van compleet. „Groot minpunt is dat er alleen exoten op staan die al minstens tien jaar in ons land voorkomen. Tal van invasieve soorten van recenter datum blijven zo ‘onzichtbaar’, waardoor de kans groot is dat ze bij publiek, onderzoekers en beleidsmakers onvoldoende aandacht krijgen. Juist in het begin­stadium zijn ze nog relatief gemakkelijk te bestrijden.”

Hij pleit ervoor alert te zijn op de komst van nieuwe soorten en in alle gevallen het voorzorgsbeginsel te hanteren. „Indien onvoldoende wordt ingegrepen is de populatie op den duur niet meer uit te roeien en is de schade onomkeerbaar.”

De uitheemse diersoorten jagen de samenleving op hoge kosten: naar schatting tussen de 1,3 en de 2,1 miljard euro per jaar. Alleen al de muskusrattenbestrijding slokt in Nederland ruim 30 miljoen euro op. Zo’n 440 vangers hebben daar een dagtaak aan. Voor één enkele exoot een indrukwekkend aantal dat in schril contrast staat met de omvang van het TIE dat honderden exoten in de peiling moet houden.

Afgezien van de aantasting van de volksgezondheid en de veiligheid vormen de biologische immigranten een bedreiging voor de mondiale biodiversiteit.

Reinhold: „Elke invasieve exoot heeft ruimte nodig, neemt de plek in van een inheemse soort en verstoort de natuurlijke balans. Doen we niets, dan krijgen we een McDonald’s-natuur die wereldwijd hetzelfde is.”

Zwarte lijst

Omdat het ondoenlijk is de aandacht op bijna duizend invasieve exoten te richten, presenteert zijn platform een top 100 van de meest beruchte soorten in Nederland, zoals de tijgermug en de ambrosia. „Deze zwarte lijst is niet bedoeld om paniek te zaaien. Ik wil juist de discussie aanzwengelen en hoop dat gelijkgestemden zich bij het platform aansluiten.”

Ondertussen plaatst de Japanse duizendknoop het bestuur van het Amsterdamse volkstuincomplex voor een dilemma. „Het is goed mogelijk dat deze woekeraar alleen uit te roeien is met een chemisch onkruidbestrijdingsmiddel zoals RoundUp. Voor Amstelglorie, het eerste tuinpark in Nederland met de hoogste waardering van het Nationaal Keurmerk Natuurlijk Tuinieren, is het toepassen van dergelijke middelen vanwege dit keurmerk echter niet toegestaan.”

invasieve-exoten.nl, nederlandsesoorten.nl, issg.org.


Tijgermug

Met containers vol komt het uit China geïmporteerde ”lucky bamboo” Nederland binnen. Het spiraalvormige plantje blijkt echter een paard van Troje, want de lading verbergt ook een levensgevaarlijke verstekeling: de tijgermug (Aedes albopictus). „Het insect vormt een risico voor de volksgezondheid, omdat hij twintig verschillende virussen kan overbrengen, zoals knokkelkoorts, gele koorts en bepaalde vormen van hersenontsteking”, vertelt Wilfred Reinhold. „De uitbraak van chikungunya in Italië in 2007 bewijst dat.”

De tijgermug wordt overigens steeds noordelijker aangetroffen in Europa en is inmiddels al gesignaleerd in Zwitserland en Zuid-Duitsland. „Experts zijn van mening dat de komst van de tijgermug via deze route niet is tegen te houden.” Omdat Reinhold constateerde dat de Nederlandse overheid het publiek uit eigen beweging niet of nauwelijks informeerde over het beestje, nam hij vorig jaar het initiatief de beschikbare gegevens zelf bekend te maken via zijn website tijgermug.info.

Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) sloot in 2006 en 2007 met handelaren convenanten waarin werd afgesproken dat zij zich tot het uiterste zouden inspannen om de lucky bamboo vrij van tijgermuggen en de larven en eitjes daarvan te importeren. „Deze aanpak bleek niet effectief, omdat ook daarna nog regelmatig tijgermuggen op de bedrijven werden aangetroffen. Bovendien zouden nieuwe importeurs niet aan deze afspraak gebonden zijn.”

Minister Klink besloot daarom maatregelen te treffen en informeerde de Tweede Kamer dat hij met ingang van januari 2009 een tijdelijke regeling onder de Warenwet van kracht liet gaan, die zowel de import als de handel van lucky bamboo verbiedt als deze tijgermuggen en de larven en eitjes daarvan met zich meedraagt. Reinhold, aanvankelijk blij verrast, ontdekte echter dat het departement de regeling anders uitvoert dan de bewindsman toen aankondigde.

„VWS handhaaft geen importverbod van tijgermuggen, maar ziet er alleen op toe dat sierbamboes die de kassen verlaten geen tijgermuggen of eitjes en larven daarvan bevatten. Als deze interpretatie wordt gevolgd, heeft de regeling absoluut niet het gewenste effect. In het verleden is immers gebleken dat de kassen van handelaren absoluut niet muggenproof zijn. Daarmee is het hoofdstuk ”tijgermug” voor Nederland helaas nog niet afgesloten.”


Ambrosia

Wie gevoelig is voor hooikoorts zal met de ambrosia niet blij zijn. Deze ‘niesplant’ hoort eigenlijk in Noord-Amerika thuis, maar belandt in de jaren twintig van de vorige eeuw in Hongarije en koloniseert van daaruit sinds 1990 Europa. Ook in Nederland duikt de zogeheten alsemambrosia (Ambrosia artemisiifolia) steeds vaker in tuinen op, mede dankzij mensen die graag vogels met zaad en vetbollen de winter doorhelpen. Gemorste ambrosiavruchtjes ontkiemen gewoon onder de voederplank.

„Er zijn aanwijzingen dat de klimaatomstandigheden voor deze soort steeds gunstiger worden”, zegt ir. Arnold van Vliet, al acht jaar de sturende kracht achter de Natuurkalender en eveneens nauw betrokken bij de AllergieRadar. „De plant houdt van zon en warmte, maar begint pas te groeien als de dagen beginnen te korten. Een zachte herfst vergroot de kans om zaad te zetten. Een enkele plant produceert per seizoen maar liefst 50.000 zaden.”

De gezondheidsrisico’s zijn zorgwekkend. De ambrosia verspreidt naar schatting ruim 1 miljard pollen, die extreem allergeen zijn. Ze blijken vijf keer sterker dan graspollen en zijn wereldwijd de belangrijkste veroorzakers van hooikoorts. Naar schatting 10 tot 15 procent van de bevolking is daar gevoelig voor. Een deel van hen ontwikkelt na blootstelling aan de gele stuifmeelkorrels zelfs heftige astmaklachten. „Door de late bloeitijd –augustus tot en met oktober– wordt de periode waarin patiënten last hebben van hooikoortsklachten sterk uitgebreid. Tot nu toe is het aantal ambrosiapollen in Nederland gelukkig nog heel laag, maar door de klimaatverandering worden die concentraties ongetwijfeld hoger.”

Totale verdelging van de ambrosia is volgens Van Vliet onmogelijk. Wel dient alles in het werk te worden gesteld om verdere verspreiding te voorkomen. Zo overlegt het ministerie van LNV met importeurs van vogelvoer om de beruchte zaden uit het voer te halen. „In 1 kilo vogelzaad kunnen wel 2500 ambrosiazaden zitten. Door te zeven kan dat aantal sterk verminderen, maar helemaal ambrosiavrij zal het zaadmengsel nooit worden. Het is daarom van belang om de plant in tuinen en bermen te verwijderen. Ook dat is lastig, want de zaden kunnen wel veertig jaar kiemkrachtig blijven. Houd er maar rekening mee dat we de ambrosia niet meer weg krijgen.”

www.natuurkalender.nl/toepassingen/hooikoorts/ambrosia.asp.


Rode vuurmier

Het kost de Amerikanen jaarlijks vele honderden miljoenen dollars om hem te bestrijden, maar de rode vuurmier (Solenopsis invicta) is daar niet meer weg te krijgen. De Red Imported Fire Ant (RIFA), 2 tot 6 millimeter groot en oorspronkelijk afkomstig uit het Amazonegebied, kwam driekwart eeuw geleden met een vracht aarde de VS binnen en heeft zich inmiddels over alle zuidelijke staten verspreid.

Zijn aanwezigheid maakt picknicken en andere buitenactiviteiten vrijwel onmogelijk. Trapt iemand op een nest, dan rukt een kolonie massaal uit en deelt gemene beten uit. Aan deze gifbeten, die een brandend gevoel teweegbrengen, dankt het roodbruine miertje zijn naam. Op de pijnlijke plek van de beten ontstaan witte blaren, die bij openkrabben tot ontstekingen kunnen leiden. Sommige personen zijn zeer allergisch voor het gif en kunnen bij de steek van een enkele vuurmier al in een anafylactische shock komen, in coma raken en zelfs overlijden. In de VS zijn onder mensen en dieren al tachtig doden gevallen.

Het agressieve en gevaarlijke insect houdt zich ook in Nederland op. Op welke schaal is Wilfred Reinhold onduidelijk, want de minister van LNV weigert hem documenten met nadere informatie te geven. „Het beestje lift met ficussen uit de VS mee naar ons land en vormt in een grassige omgeving kolonies. De natuurbeschermingsorganisatie IUCN plaatste de rode vuurmier op de lijst van honderd meest beruchte invasieve exoten, maar Nederland doet niets om de import te voorkomen en deze exoot te bestrijden. Ik heb de overheid daarover vragen gesteld, maar volgens het Team Invasieve Exoten (TIE) veroorzaakt de rode vuurmier geen schade aan landbouw, tuinbouw of natuur. Dit terwijl dergelijke schade uit de VS bekend is.”

Dat de mier gezondheidsrisico’s oplevert wordt door het TIE overigens erkend. „Het team houdt zich echter niet bezig met soorten die ‘alleen maar’ risico’s opleveren voor de volksgezondheid. Dat zou volgens het TIE het ministerie van Volksgezondheid moeten doen, maar daar gebeurt niets aan het probleem.”


Waterplanten

Binnen de waterschappen circuleert een zwarte lijst van exotische waterplanten die niet meer verhandeld zouden moeten worden vanwege hun woekerende gedrag. Watercrassula (Crassula helmsii), parelvederkruid (Myriophyllum aquaticum), waterwaaier (Cabomba caroliniana), grote kroosvaren (Azolla filiculoides) en grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides) behoren tot de top vijf van lastige soorten, maar Cees van Bladeren, beleidsmedewerker van de Unie van Waterschappen (UVW), kan de reeks met gemak verdubbelen.

„Er worden in Nederland momenteel 27 soorten waterplanten als exoot beschouwd. Daarvan vallen er zeker tien in de categorie ”lastig”. Ze groeien normaal in Australië of Zuid-Amerika en zijn in veel gevallen als vijverplant naar Nederland gehaald. Komen ze in het oppervlaktewater terecht dan overwoekeren ze in korte tijd complete sloten en vaarten. Watergangen groeien dicht, de aan- en afvoer van water wordt belemmerd en er treedt verstikking van het andere waterleven op. Met het opruimen is jaarlijks circa 3 miljoen euro gemoeid.”

De overheid werkt aan een convenant, waarin kwekers en tuincentra op basis van vrijwilligheid afspraken over de invoer, teelt en handel maken. In het huidige voorstel staan vooralsnog alleen de kleine waterteunisbloem (Ludwigia peploides), de waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora) en de watertijm (Hydrilla verticillata) op de zwarte lijst. De UVW stemt daar niet mee in. „De nu gepresenteerde lijst is ons te kort en verder beperkt de branche zich tot voorlichting aan de consument over de effecten van exoten. In onze visie komen minstens twaalf probleemsoorten voor een handelsverbod in aanmerking. Op basis van de bestaande flora- en faunawet, dan wel in een convenant waarin ook toezicht op de naleving beter wordt geregeld. Blijkt dit in de praktijk niet te werken, dan moet er alsnog een wettelijk verbod worden ingesteld.”


Zonnebaars

De zonnebaars (Lepomis gibbosus) zwemt al honderd jaar in Nederland, vooral in open wateren. De Noord-Amerikaanse roofvis is de laatste decennia echter sterk in opmars. Wilbert Bosman, onderzoeker van Ravon (Reptielen Amfibieën Vissen Onderzoek Nederland), weet hoe dat komt.

„Tuincentra en aquariumhandels verkopen deze exoot al een tijdje. Nietsvermoedende eigenaren van aquaria en tuinvijvers denken een onschuldig visje te kopen, maar elk vrouwtje legt wel een paar duizend eieren. Binnen de kortste tijd ontstaat er overbevolking en wordt het overschot met goede bedoelingen in de natuur gedumpt. Eenmaal uitgezet zijn zonnebaarzen echter moeilijk te verwijderen.”

Vooral in geïsoleerde wateren waar gewoonlijk geen vis zwemt, zoals vennen en poelen, zijn de gevolgen desastreus. „De zonnebaars bereikt daar extreem hoge dichtheden en vreet werkelijk alles op. Het visje heeft niet alleen watervlooien, kreeftachtigen, larven van muggen en libellen op het menu staan, maar ook eieren en broed van inheemse vissensoorten en amfibieën die soms met uitsterven worden bedreigd en waarvoor beschermingsplannen zijn opgesteld.”

Bosman zag enkele jaren geleden zelf welke slachtpartij de rover in het Rauwven bij Veghel aanrichtte. „Door zijn toedoen is de knoflookpad daar helemaal verdwenen.” Zo kent hij meerdere plekken waar andere zeldzaamheden als kamsalamander en boomkikker verdwenen, nadat de zonnebaars een geïsoleerde plas had weten te koloniseren. De knoflookpaddenspecialist stuurde in 2003 persoonlijk honderden tuincentra in Nederland een brandbrief om de verkoop van de invasieve exoot te staken. „Nadien is de vis in veel winkels uit het assortiment verdwenen. Maar we maken ons nog ernstig bezorgd, want hij wordt nog steeds verkocht.” Bosman realiseert zich dat de exoot al zo lang in Nederland aanwezig is dat het dier niet kan worden uitgeroeid. „We moeten voorkomen dat de situatie verder verslechtert. Ravon gaat volgend jaar methoden onderzoeken om de zonnebaars in geïsoleerde wateren weg te halen. Zo werden bij het droogleggen van het Rauwven meer dan 8000 zonnebaarsen gevangen! Na deze actie was er een duidelijke toename van allerlei inheemse soorten.”


Eekhoorns

Bij Weert scharrelen Pallas’ eekhoorns. Nakomelingen van een tiental ontsnapte exemplaren, weet Vilmar Dijkstra van de Zoogdiervereniging, die van het Team Invasieve Exoten de opdracht kreeg de verspreiding van deze oorspronkelijk uit China afkomstige pluimstaart in Nederland in kaart te brengen. „Met pindakaas lokken we de eekhoorns naar kleverige haarvallen. De eerste indruk is dat ze niet zo wijdverspreid zijn als we eerst vermoedden.”

Vaststaat dat de Pallas’ eekhoorn in de bossen ten zuidoosten van Weert en een deel van de bebouwde kom voorkomt. Verder onderzoek moet uitwijzen of meldingen kloppen dat de indringer zich ook ophoudt in het 9 kilometer westelijk gelegen Belgische natuurgebied Mariahof. „De beschrijving komt overeen met het signalement van de Pallas’ eekhoorn. Hij is ongeveer even groot als onze rode eekhoorn, maar de kleur van zijn vacht is olijfgroen tot bruin.”

De eekhoornonderzoeker meldt verder dat uit een bungalowpark in het Limburgse America Pallas’ eekhoorns zijn ontsnapt, maar van deze groep heeft de inheemse variant waarschijnlijk weinig te vrezen. „Ze waren operatief onvruchtbaar gemaakt.”

De Zoogdiervereniging stuitte de afgelopen vijf jaar op acht andere exotische eekhoornsoorten die in vrijheid leven. Zo zijn in Sint Anthonis Chinese boomeekhoorns gezien en nemen in Tilburg Siberische grondeekhoorns steeds meer bos in gebruik. Vorig jaar werden in een nieuwbouwwijk in Amersfoort negen Japanse eekhoorns gevangen. Dijkstra: „Deze beestjes beginnen hun leven in Nederland als huisdier, maar worden losgelaten of weten uit hun behuizing te ontsnappen. Als ze de kans krijgen zich in Nederland te vestigen, kunnen ze een gevaar vormen voor de inheemse soort.”

Voorbeelden in het buitenland tonen volgens hem aan hoe groot de bedreiging kan zijn. „In Engeland heeft de grijze eekhoorn uit Noord-Amerika de rode variant vrijwel geheel verdreven. Op de weinige plekken waar de rode eekhoorn nog zit, worden verwoede pogingen gedaan om hem te beschermen. Ook in Ierland en delen van Noord-Italië verdringt de grijze eekhoorn de inheemse rode eekhoorn. In Zuid-Frankrijk en Japan heeft men soortgelijke ervaringen met uitgezette of ontsnapte Pallas’ eekhoorns.”

Omdat de exotische eekhoorns elders al bewezen hebben lokale eekhoorns weg te kunnen concurreren, pleitte de Zoogdiervereniging eind mei in een brief aan de Tweede Kamer en aan minister Verburg van LNV voor een verbod op het houden van grijze eekhoorns en Pallas’ eekhoorns in Nederland. „Als ze niet meer als huisdier verkocht en gehouden mogen worden, kunnen ze ook niet in het wild terechtkomen.”



Rosse stekelstaart

Van de rosse stekelstaart (Oxyura jamaicensis), een exotische eend uit Noord-Amerika, leven in Nederland enkele tientallen exemplaren in het wild. De populaire siervogel heeft de pech dat hij zich in de vrije natuur kan kruisen met de witkopeend (Oxyura leucocephala), Europa’s zeldzaamste eend die alleen in Spanje voorkomt. Dit kan er op de lange termijn toe leiden dat deze beschermde soort uitsterft, want de hybride nakomelingen zijn gewoon vruchtbaar.

Vanuit Groot-Brittannië, waar zeventig jaar geleden enkele gekortwiekte exemplaren bij particulieren ontsnapten en nu 95 procent van de verwilderde populatie voorkomt, koloniseert de rosse stekelstaart de rest van Europa. Het risico dat de circa 6000 rosse stekelstaarten zich gaan bemoeien met de samenstelling van het DNA-pakket van de witkopeend, was voor de Europese Unie aanleiding de lidstaten op te roepen stappen te ondernemen.

In Nederland werd de fraai ogende eend in 1973 voor het eerst broedend in de vrije natuur waargenomen en sindsdien is het aantal gestegen tot ongeveer twintig broedparen. De rosse stekelstaart komt op dit moment vooral voor in Noord- en Zuid-Holland en Flevoland, en wordt daarnaast in Drenthe en Gelderland gezien.

Minister Verburg van LNV stuurde de provincies eind vorig jaar een brief om de exoot als bejaagbare soort aan te wijzen. Nu ingrijpen voorkomt drastischere en duurdere maatregelen in de toekomst, aldus de bewindsvrouw. Tegelijkertijd wil zij voorkomen dat er rosse stekelstaarten uit volières ontsnappen. Verburg kondigde in dezelfde brief aan dat ze afspraken gaat maken met de (internationale) handel en vogelhouders over het houden en verhandelen van deze zogeheten ”Ruddy Ducks”.

Vogelbescherming Nederland is voorstander van deze overheidscampagne. De vraag is echter in hoeverre provincies van hun aanwijzingsbevoegdheid gebruik gaan maken. Daar komt bij dat jagers de administratieve regels soms zo omslachtig vinden, dat zij vaak afzien van bestrijding.

Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels