Docenten en leerlingen van de reformatorische middelbare scholen vulden de afgelopen tijd een enquête over identiteitszaken in. Hoogesteger: „De uitkomsten zijn niet opzienbarend. Ik ben er wel bezorgd over. Van de leerlingen vindt 90 procent dat hij voldoende vorming op school ontvangt. Dat lijkt mooi. Maar als 50 procent de regels te streng vindt, zie ik een behoorlijke kloof tussen de opvattingen van de ouderen en die van de jongeren.”
Van Wijngaarden: „Dat betwijfel ik. Zijn jongeren evenwichtig genoeg om vragen daarover te beantwoorden? Ze kunnen nog helemaal niet relativeren. Jongeren maken het liefst geen principiële keuzes; lang leve de lol.”
Klerk: „Wij waren vroeger net zo: een jongere zoekt naar grenzen en probeert het oprekken daarvan uit. Dat 90 procent de principiële vorming goed vindt, is een heel hoge score.”
Van de leraren signaleert 75 procent in het docentenkorps principiële verschuivingen en 92 procent ziet dat binnen de leerlingenpopulatie gebeuren. Herkenbaar?
Van Haaften: „Heel herkenbaar. De ouders zijn veranderd; wij allemaal. De gezinnen veranderen, en dat heeft invloed op de school.”
Ligthart: „Wij maken onze kinderen mondiger, al vanaf de wieg.”
Van Haaften: „Voor een school is het daardoor moeilijker in leer en levensstijl hetzelfde te blijven. Anderzijds gaat de school ook wel eens verder dan het gezin in wat er toegestaan wordt. Als ouders en als kerk willen we bijvoorbeeld niet dat onze dochters leggings dragen. Gelukkig, op school mocht het ook niet. Maar toen mocht het op school opeens wel, omdat leraressen ook leggings wilden dragen. Dan zie je het probleem waar de reformatorische scholen mee worstelen: door de vacaturenood is het benoemingsbeleid breder dan de scholen zouden willen.”
Ligthart: „Maar is dat zo nieuw? Tien jaar geleden moest mijn dochter de klas uit om de make-up van haar gezicht te halen. Ze zei tegen de lerares: Gaat u dan mee?”
Van Haaften: „Voor ouders wordt het veel moeilijker iets te verbieden als de school het toestaat. Als je niet uitkijkt, word je als ouders dan ook steeds toleranter. Of het nu over leggings gaat, over mediagebruik of over iets anders: het valt voor kinderen niet mee als ze iets niet mogen wat de meesten in de klas wel doen.”
Klerk: „Moet een school zich zo met uiterlijke dingen bezighouden? De scholen zijn ontstaan omdat de gereformeerde leer op andere christelijke scholen in het gedrang kwam. Veel van die kwesties rond de levensstijl zijn maar bijzaken. Daar gaat het reformatorisch onderwijs veel te verkrampt mee om. Minder zwaar aan tillen; het is alleen maar ballast.”
Ligthart: „Dat vind ik ook.”
Klerk: „De wereld heeft zich nu eenmaal ontwikkeld en daar moeten we in mee. In veel zaken lopen we gewoon twintig jaar achter. We moeten niet zo huiverig zijn voor veranderingen.”
Hoogesteger: „Naast de leer was wel degelijk ook de levensstijl in het geding bij de stichting van de eigen scholen. De ouders worstelden met hun doopbelofte. De eenheid die er tussen gezin en school moet zijn, gaat over leer én leven. De school zou daarin een verlengstuk van het gezin moeten zijn. Dat is essentieel voor ons reformatorisch onderwijs.”
Klerk: „Praat maar over de leer. Het leven komt daaruit voort.”
Een kwart van de docenten staat niet achter het toelatings- en benoemingsbeleid.
Van Wijngaarden: „Dat toelatingsbeleid is te strak. We hoeven andersdenkenden niet te weren. Of gezin en school in dezelfde lijn liggen, staat los van de leerlingenpopulatie.”
Hoogesteger: „Zeker niet. Leerlingen hebben invloed in een klas, en ouders beïnvloeden het schoolbeleid, zeker met de toenemende aandacht voor medezeggenschap.”
Van Wijngaarden: „Ik werk op de grootste multiculturele school van Nederland, met 72 nationaliteiten. Dat is verrijkend. Broeders, wat is het mooi als je aan een klas met achttien moslimleerlingen duidelijk kunt maken Wie de Heere Jezus is. We moeten op de reformatorische school wel de identiteit bewaken, gegrond op de Bijbel en de belijdenisgeschriften. Overigens betekent dat niet dat je identiteit, ook in de uitwerking, helemaal hetzelfde blijft. Hoezo, die angst voor assimilatie?”
Klerk: „We moeten geen aparte wereld vormen. Zet de deur maar open. Laat die moslims maar toe, maar vertel wel het Evangelie.”
Ligthart: „We moeten toch een lichtend licht zijn?”
Hoogesteger: „Zeker. Als het goed is, gaat er iets van ons uit. Dan spreekt ons leven. Maar we praten nu over de scholen die we voor onze kinderen hebben opgericht uit zorg over hun opvoeding. Die scholen zijn nooit bedoeld geweest als evangelisatie-instituut. Als je je school openstelt voor andersdenkenden, haal je visies binnen die haaks staan op de uitgangspunten van het reformatorisch onderwijs. En het is een karikatuur dat onze scholen te veel in zichzelf gekeerd zouden zijn.”
Van Haaften: „Het is goed dat de school meer contacten in de wijk heeft en bijdraagt aan integratie. Maar daarvoor is het toelaten van andersdenkenden tot de school niet nodig. En het is ook niet gewenst.”
Van de docenten geeft 57 procent aan geheel achter de identiteit van de school te staan en 40 procent doet dat grotendeels. Leerlingen waarderen het echter niet als docenten zich niet loyaal achter de schoolregels opstellen, zo blijkt uit het onderzoek.
Ligthart: „Nee, logisch, jongeren gaan voor eerlijkheid. Voor docenten die zich principieel opstellen, hebben ze de meeste waardering.”
Klerk: „Ze waarderen docenten die gezag hebben en consequent zijn.”
Hoogesteger: „Het kwalijke is dat docenten gezag tegenwoordig eerst moeten verwerven.”
Van Wijngaarden: „Tja, de leerling is nu eenmaal anders dan twintig jaar geleden. Daar moet je als docent maar mee kunnen omgaan.”
Hoogesteger: „Gezag moeten verdienen is geen christelijke gedachte.”
Van Haaften: „Onze jongeren zijn een product van onze tijd. Ik ben niet jaloers op hen als je ziet hoe ze van alle kanten opgezweept worden en hoe onrustig het leven van jongeren is. Die stress zie je ook bij jongere docenten.”
Ligthart: „Laten docenten leerlingen helpen in deze moeilijke tijd; met hen in gebed gaan, in plaats van bij wangedrag gelijk naar de ouders te bellen. Als een leraar mij belt, zeg ik: Dat is gewone huis-tuin-en-keukenondeugd; u zoekt het op school maar uit.”
Ruim de helft van de leerlingen constateert verschillen tussen de regels van thuis en op school.
Van Haaften: „Het is de verantwoordelijkheid van ouders om de school te steunen. Als je voor een reformatorische school kiest, kies je ook voor de identiteit, de levensstijl en de schoolregels. Daar moet je je als ouders aan aanpassen, zonder je kinderen een kritische houding tegenover de school bij te brengen. Neem het voorbeeld van de kleding. Wie zich bij een voetbalvereniging aansluit, gaat vanzelfsprekend het tenue dragen dat daar bijhoort. Als een school kledingregels heeft, moet je je daar ook bij aansluiten. Als je daar moeilijk over doet, kies je maar een andere school.”
Van Wijngaarden: „Zo werkt het tegenwoordig niet meer. Ouders zijn mondig en daar moet de school ruimte voor geven.”
Van Haaften: „Die mondigheid heeft wel grenzen. Ouders brengen soms te veel hun eigen ideeën naar voren.”
Klerk: „Mijn dochters mogen thuis een lange broek dragen. Ik weet dat ik het andere ouders daarmee moeilijk kan maken als zij niet willen dat hun dochter dat doet. Ik probeer mijn dochters wel respect voor dat standpunt bij te brengen.”
Van Wijngaarden: „De school moet consequent zijn. Als je bepaalde kleding verkeerd vindt, mag je van de leerlingen verwachten dat ze die kleding ook onderweg naar school niet dragen. Dus dan zet je geen verkleedhokjes neer.
Maar de ouders moeten net zo goed consequent zijn. Zelf ben ik Nederlands gereformeerd en behoor ik niet direct tot de reformatorische kring, maar als mijn vrouw onze kinderen uit de reformatorische school haalt, past ze zich aan; ze gaat er in een rok naartoe. En dan staat ze daar tussen reformatorische moeders die in een broek naar de school komen. Waar blijf je dan met je consequente opvoeding? Zo ondergraaf je het gezag van de school.”
Hoogesteger: „Hebben we binnen onze reformatorische gezindte nog wel hetzelfde Gods- en mensbeeld? Dat is voor de eenheid van wezenlijk belang. Het besef van de noodzaak van waarachtige bekering zou zowel in ons gezin als op school merkbaar moeten zijn.”
Van Haaften: „Het gaat om al die kinderzielen. Daar is bij de docenten gelukkig aandacht voor. Daarom moeten we onze scholen steunen. We mogen nog blij zijn met alle goede dingen van ons onderwijs. Met de identiteit; ook met de veiligheid op school. Je stuurt je kinderen er met een gerust hart naartoe.”
Klerk: „De kinderen worden tegen veel gevaren in de samenleving goed gewapend, dat vind ik de kracht van het reformatorisch onderwijs.”
Dit is het derde deel in een serie over een onderzoek op de reformatorische middelbare scholen.