Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep
  Algemeen

Geworteld zijn in een traditie

 Het geworteld zijn in een traditie, die koesteren, of ervan vervreemden.

Het geworteld zijn in een traditie, die koesteren, of ervan vervreemden.

Terwijl koningin Beatrix in Hilversum het Jaar van de Traditie opent, zijn zaterdag in Amersfoort tachtig literatuurliefhebbers bijeen rond het thema ”Tussen trend en traditie”. De spreeksters, Vonne van der Meer en Marianne Witvliet, hebben duidelijk meer feeling voor traditie dan voor trends. De zaal valt stil als de dames, die beiden een bepaalde mengeling van fysieke fragiliteit en innerlijke creatieve kracht uitstralen, voorlezen uit eigen werk.
Elk najaar organiseert het Christelijk Literair Overleg (CLO) een literair symposium, in samenwerking met het tijdschrift Liter en het Nederlands Bijbelgenootschap. Op het symposium worden auteurs van allerlei snit uitgenodigd, zodat er ook een confrontatie plaatsvindt. Vorig jaar zaten Kader Abdolah en Louis Krüger hier, vertelt CLO-bestuurslid Frank Dijkstra. „Meerdere schrijvers beleefden hun doorbraak naar het grote publiek na hun optreden op het literair symposium”, voegt hij er lachend aan toe, „Abdolah, Arthur Japin, Jan Siebelink.”

Op deze herfstige novemberdag blijft de confrontatie helaas wat achterwege. De sprekers vertellen het liefst over het schrijfambacht, over hoe hun boeken zijn ontstaan. Ze reageren niet op elkaars werk, de lezingen lopen zoals altijd uit en Frank Dijkstra spuit al een aantal vragen, zodat slechts enkele mensen uit de zaal nog wat kunnen vragen of toevoegen. Gelukkig zijn er pauzes en workshops waar de discussie alsnog op gang kan komen.

Engelse huwelijkstraditie
Vonne van der Meer is niet opgegroeid met de Bijbel. Die invloed kwam pas veel later. „In mijn ouderlijk huis was er wel openheid voor, er was geen antihouding. Zo las mijn grootmoeder ons voor uit de kinderbijbel. Alle verhalen en ervaringen werken vroeg of laat door in je boeken. De invloed van sprookjes bijvoorbeeld is duidelijk aanwijsbaar in mijn werk.”

Van der Meer vergelijkt het schrijfproces met een oude Engelse huwelijkstraditie die wil dat de bruid „something old, something new, something borrowed and something blue” draagt. De termen ”old” en ”new” zijn mooi te rijmen met de tweeslag ”traditie” en ”trend”. Vonne vult het oude echter in als ”observatie”. Het nieuwe is wat je zelf toevoegt: je fantasie en het geleende, de research die je verricht. Het ”blauwe” is oorspronkelijk een blauwe kousenband die de bruid draagt en die alleen haar echtgenoot te zien krijgt. „Vertaald naar mijn boeken is dat iets waar ik niet met anderen over praat, maar wat ik wel bereid ben om in een personage te leggen. Soms komt een personage namelijk niet tot leven, dan moet ik hem iets van mezelf geven, een nachtmerrie, een verlangen, een herinnering, zodat hij iemand ís.

In ”Eilandgasten” wilde ik op een gegeven moment dat een jongen de trap op ging naar zijn kamer, maar ik kreeg hem die trap niet op. Ik wilde iets van mijn personage waar hij nog niet aan toe was, en dat lukt dan gewoon niet. Taal liegt niet, woorden verzinnen bij iets wat niet klopt, dat is moeilijk. De taal komt dan niet tot leven.

Mijn personages zijn verzonnen, maar de lezer moet het idee krijgen dat ik ze ken. Een beeldhouwer zei me eens: „Als ik tegenover een stuk steen zit, dan zie ik al de figuur die ik ga uithakken, ik hoef hem alleen nog maar uit het steen te bevrijden.”

Van der Meers nieuwe boek, ”Zondagavond”, zal in januari 2009 verschijnen. De hoofdpersoon is op een cruciaal moment allerminst moedig en houdt daar zijn verdere leven een ontsierend litteken aan over. Dankbaarheid overheerst echter omdat de baby die hij moet beschermen, ondanks hem, de oorlog overleeft. Die dankbaarheid brengt hem terug naar het geloof. Vonne leest het een na laatste hoofdstuk voor. Een priester bedient het laatste oliesel aan een stervende, en Psalm 139 wordt gereciteerd door een dochter. Na afloop van de lezing is er de onvermijdelijke vraag: nog nooit was u zo expliciet over het christelijk geloof; is dit een ontwikkeling in uw werk? Van der Meer: „Nee, dat zou ik niet willen zeggen. Het is niet zo dat het nu in gestrekte galop richting de Bijbel gaat. Het heeft te maken met dit boek, met deze thematiek. Ik stel me dienstbaar op ten opzichte van mijn personages. Het past in dit boek, maar misschien helemaal niet in een volgend.”

Tante Pie
Marianne Witvliet gaf een oude tante een tweede leven in haar boek ”Kind van het water”. „Tante Pie was een echte Rotterdamse volksvrouw”, licht ze zaterdag toe. „Ik bezocht haar eens en had een mooie bos bloemen meegebracht. Maar die was natuurlijk veel te groot en te mooi. Het milieu waarin zij leefde gaf mij tegenstrijdige gevoelens. Het ontroerde en irriteerde me tegelijkertijd. Ze werd niet uitgenodigd op de bruiloft van mijn zus. Achteraf is dat zo pijnlijk, dat iemand buitengesloten wordt, omdat ze niet met mes en vork kan eten.”

Tante Pie heet in ”Kind van het water” Kee. „Kee belichaamt een verleden dat nog net niet weg is. Een verleden waarin velen een enorm plichtsbesef hadden en tot ongekende dienstbaarheid in staat waren. Dat wil ik doorgeven. Ik kom iedere week bij mijn demente moeder, maar zie daar zelden kleinkinderen. Voor ons was dat vroeger een vanzelfsprekendheid: je bezocht iedere maand je grootouders. Aanvankelijk creëerde ik een zoon voor Kee, want daar zou mijn boek misschien wat pragmatischer van worden, zodat ik me minder zou verliezen in romantische bespiegelingen. Gooi er eens wat meeuwen uit, zegt mijn uitgever dan bijvoorbeeld. Maar met die man miste mijn boek ”something blue”. Toen heb ik toch maar voor een dochter gekozen.

Het mannelijke perspectief heeft er intussen voor gezorgd dat mannen mijn boek wel kunnen waarderen. Een van hen, drs. P.J. Vergunst, belde me - het boek had hem aan het denken gezet over mensen uit zijn verleden en ook het besef gewekt dat je nu in gesprek moet gaan met die mensen. De dochter is een product van twee tradities, van twee wortels en dat zorgt natuurlijk voor een behoorlijk conflict.”

Cliché
Het geworteld zijn in een traditie, die koesteren, maar ook verafschuwen. Dr. Hans Werkman illustreert het ’s middags pregnant in zijn workshop over de schrijver J.K. Eerbeek. „Eerbeek verafschuwde de traditie in zoverre zij tot cliché was verworden. Hij wilde alles doordenken, alles bevragen, tot op het bot. Met vanzelfsprekendheden, met gearriveerd-zijn, kon hij niets. Zo kun je dat gevoel ook wel eens hebben bij een preek, dat die te waar is om wáár te zijn.”

Enny de Bruijn wijdt ons tijdens haar workshop in in de gedichten van Jacobus Revius. „In zijn tijd was het trend om de traditie te volgen. Wat moest Revius echter met die heidense schrijvers uit de Oudheid aanvangen? Dat ontvouwt hij in zijn gedicht ”Heydens houwelijck”. Je neemt een heidense vrouw, maar ontdoet haar van „domme afgody en spitse schamperheyt.” Je neemt een heidense vorm, maar vult die met een christelijke inhoud. Zo overtref je de ongelovige dichter en bereik je het hoogste stadium dat een dichter kan bereiken in zijn carrière: de emulatio.”

In de wandelgangen zijn ook veel interessante verhalen te horen, die het waard zijn om doorgegeven te worden. Dr. Hans Ester vertrouwt me toe dat hij en zijn vrouw zich vroeger suf voorlazen - ”Je ging van bed tot bed”. Zijn kleinzoontje wil nu maar steeds de verhalen horen over de eend die opa vroeger als huisdier had en aan een touwtje door de straten voerde.”

Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels