De Bijbel leert ons dat kinderen al jong God kunnen groot maken. Denk hierbij aan Psalm 8: „Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest.” De Heere Jezus stelt zelfs een kind ten voorbeeld. Hij verzet zich tegen de opvatting dat kinderen niks voorstellen. Hij zegt zelfs dat we moeten worden als een kind.
In Markus 10:13-16 staat dat mensen hun kinderen bij Jezus brengen. Zijn leerlingen kunnen dat niet goed hebben. Bij hen leeft de gedachte dat het leven met de Heere iets voor grote mensen is. Maar voor de Heere Jezus tellen de kinderen wél mee. Zij zijn bij uitstek geschikt Zijn zegen te ontvangen. „Laat de kinderen tot Mij komen en verhindert ze niet, want derzulken is het Koninkrijk Gods.”
Ernstig is het woord uit Mattheüs 18:6: „Maar zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem nutter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee.”
Moeilijk verwoorden
Voor jonge kinderen is het kunnen verwoorden van hun gevoelens best moeilijk. Ouders moeten hun vragen aanpassen aan het niveau van de kinderen. Hun woordenschat is nog niet zo groot.
Van jonge kinderen mogen we ook niet verwachten dat ze antwoord kunnen geven op theologische vraagstukken, al begrijpen ze wel ten dele wat het betekent dat de Heere Jezus de straf voor de zonde heeft gedragen.
Ouders spelen bij de taalontwikkeling en de (religieuze) begripsvorming een belangrijke rol. Zij moeten weten dat een jong kind abstracte begrippen koppelt aan concrete zaken. Vraag een jong kind wat het begrip ”liefde” betekent, en er komt een concreet antwoord: „Mama is lief.”
Jonge kinderen kunnen nog niet abstract denken. Het begrip ”nieuw hartje” moet duidelijk door de ouders worden uitgelegd. Het kind moet niet denken dat het concrete hart uit het lichaam wordt gehaald en er een nieuw hart voor in de plaats komt. Het gaat erom dat het hart wordt gevuld met liefde voor de Heere. Dan is het de ervaring van elke gelovige dat hij eigenlijk twee harten heeft. Lezen we niet in Galaten 5:17: „Want het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander?”
Doopbelofte
Het geloof is een tere zaak. Het is mooi wanneer in het gezin hierover wordt gesproken. Geloofsopvoeding vloeit voort uit de doopbelofte. De kinderdoop is voor ouders een motief om in verantwoordelijkheid aan de Heere hun kinderen als Zijn eigendom voor Hem af te zonderen, door hen op te voeden in het geloof.
God heeft recht op onze kinderen, dat is de lijn van het doopformulier. Kinderen van christelijke ouders zijn daarom kinderen van Adam én kinderen van God.
Ouders dienen hun kinderen dit Evangelie op een heldere en eenvoudige manier uit te leggen. Wel is het zo dat jonge kinderen alles subjectief bekijken. Ze zijn er zelf helemaal bij betrokken, ze zijn ik-gericht. Ook spelen gevoelens een grote rol bij jonge kinderen. Opvoeders kunnen hierop gemakkelijk inspelen. In de geloofsopvoeding speelt de beleving van het zich veilig voelen een grote rol. Kinderen vertrouwen zich dan ook gemakkelijk toe aan de Heere Jezus.
Bij het vertellen van het Evangelie bestaat het gevaar dat de Heere Jezus wordt geromantiseerd, het wordt allemaal mooier gemaakt, maar het gaat om de werkelijkheid van zonde, schuld, genade en vergeving. Een ander gevaar is dat opvoeders gaan moraliseren. In de Bijbel gaat het niet om goede of slechte mensen, maar om goddelozen, om zondaren. Het gaat er bij Jakob en Ezau niet om of ze goed of slecht waren, maar of ze deelhadden aan Gods belofte, waar Jakob zich, door het geloof, aan vastgreep.
Dood geloof
Ouders kunnen hun kinderen de zaligheid niet geven. Zij kunnen hun de omgang met de Heere wel voorleven. Het geloof is meer dan het hebben van de juiste overtuiging en het doen van de juiste dingen. Het geloof heeft te maken met een Persoon, Die op een liefdevolle en onvoorwaardelijke wijze betrokken wil zijn bij alle facetten van het leven. Het gaat om de relatie! Zonder die relatie is er sprake van een dood geloof. Geloofsopvoeding is niet het toepassen van de juiste techniek, maar een levensstijl.
Ouders en beroepsopvoeders kunnen het geloof echter niet overdragen aan de kinderen. Geloofsleer is overdraagbaar, geloof niet. Opvoeders kunnen het geloofsgoed brengen tot aan het hoofd en de handen van het kind, maar niet in het hart. Geloofsopvoeding heeft een grens. Ouders hebben daar geen zeggenschap over.
God werkt het geloof, alleen God kan het hart innemen. Geloof is een gave van God. Wij kunnen God nooit vinden als Hij ons niet had opgezocht. Maar we kunnen Hem wel afwijzen. Zegt de Heere Jezus niet Zelf in Mattheüs 23:37: „Hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kuikens bijeenvergadert onder de vleugelen; en gijlieden hebt niet gewild?”
Waar in de opvoeding de band met de Heere niet wordt beleefd, is sprake van een leeg testament.
Drs. Keus is oud-docente pedagogiek aan hogeschool Driestar educatief, echtgenote en moeder van drie volwassen kinderen.