„Jammer dat we achterblijven als het om milieu- en natuurbescherming gaat”, zegt Messelink, „want vanuit Bijbels perspectief is daar geen enkele reden voor. Wie de Bijbel neemt zoals hij tot ons komt, ontdekt hoe vaak er over het land, over heel de schepping wordt gesproken. Ik denk dat onze bril een beetje gekleurd is geraakt. Dat we bij het lezen op de een of andere manier zijn vervallen in eenzijdigheden.”
Nico van der Voet, theoloog, predikant en docent pastoraat en ethiek aan de Christelijke Hogeschool Ede, denkt een verklaring te hebben waarom natuurbescherming geen reformatorisch item is: de Bijbel zelf roept er niet direct toe op. „Het Oude en het Nieuwe Testament leren dat de zaken om ons heen, alle levende wezens en ook de zon, de maan en de sterren, ’slechts’ geschapen zijn. Wellicht dat de ontgoddelijking van de geschapen werkelijkheid ertoe heeft geleid dat er in de Bijbel niet tot directe bescherming van de natuur wordt opgeroepen.” Hij voegt eraan toe dat de mens daarmee vervolgens aan de haal is gegaan. „Het denkbeeld dat de aarde slechts stof is, gaf mensen vrijmoedigheid in het omgaan met de schepping. Deze houding is in onze cultuurgeschiedenis gekoppeld aan het Griekse rationele denken. Daarop zijn wetenschap en techniek gebaseerd die het mogelijk maakten de aarde grootschalig te bewerken en naar de hand te zetten.”
Messelink kent tal van teksten in de Schrift die de mens verplichten tot een zorgvuldige omgang met de natuur.
Zulke Bijbelse handreikingen waren voor Messelink reden om in het meinummer van het opinieblad Koers vaktheologen ertoe op te roepen meer aandacht aan het milieu te geven.
Heilsegoïsme
Van der Voet reageerde begin oktober op de opiniepagina van het Nederlands Dagblad. Zullen orthodox-protestantse voorgangers bereid zijn de bescherming van natuur en milieu op de kansel aan de orde te stellen? Nee, is zijn resolute antwoord. „Ik heb nog nooit in de gemeenten waar ik kom (behoudend PKN, AJ) een preek gehoord waarin werd uitgewerkt dat levensheiliging ook te maken heeft met verantwoord omgaan met dier en milieu.”
Van der Voet wijt die desinteresse in de eerste plaats aan wat hij „heilsegoïsme” noemt, en dat naar zijn opvatting in orthodoxe kringen domineert. „De geloofsbeleving is naar binnen gericht, sterk individualistisch en zoekt het eigen geluk.” Hij ziet daarin verwantschap met het hedendaagse hedonisme, dat als centrale vraag heeft: hoe kan ik een zo leuk mogelijk leven leiden? „Van der Voet vindt het niet toevallig dat mensen die druk zijn met hun persoonlijke zielenheil, tegelijk druk zijn met het opbouwen van een welvarend leven en dat ze geen interesse hebben voor de gevolgen daarvan voor het milieu.
Lauwheid van voorgangers op dit terrein houdt ook verband met het feit dat het concreet benoemen van zonden vanaf de kansel niet gebruikelijk is. „Ook in de orthodoxie blijkt het respect voor de autonomie van de mens groot zodra het op het vermanen aankomt. Je bekeren van zonden wordt niet concreet uitgewerkt.” Een andere verklaring is dat veel orthodoxe predikanten plattelandsdominees zijn. „Voordat een dominee iets kritisch durft te zeggen over veeteelt, landbouw en milieuethiek moet hij tien keer nadenken. Hij raakt dan immers aan de beroepseer van gemeenteleden en de portemonnee van hard werkende mensen.”
Dan is er nog de boter op dominees eigen hoofd, aldus Van der Voet. „Als hij zonden op het terrein van milieuethiek aan de kaak zou stellen, zoals overconsumptie, energieverspilling, dierenleed, staat hij ook op zijn eigen tenen.” Een voorganger die iets zegt over goed milieugedrag zet zichzelf in de schijnwerpers en dat is riskant. „Als zijn leer en zijn leven niet met elkaar in overeenstemming zijn, prikt iedereen erdoorheen.” Ten slotte vermoedt Van der Voet dat voorgangers nauwelijks oog voor schepping en milieu hebben, omdat het hen persoonlijk weinig interesseert. „Ze houden waarschijnlijk meer van asfalt, auto’s en ander technisch vernuft dan van Gods scheppingswerk. Ze kijken niet naar weidevogels en treuren er ook niet om dat er zo veel verdwijnen uit Nederland. Natuur is iets van de vakantie.”
Nico van der Voet appelleert aan de profetische roeping die orthodoxe theologen en voorgangers hebben. „Profeten behoren verder te zien dan andere gelovigen”, stelt hij. Concreet betekent dit dat ze terugblikken, en wel op de schepping. „Al het geschapene is voortgekomen uit Gods gesproken woord en verdient het net zo verdedigd te worden als een kwetsbaar ongeboren kind.” Profeten kijken ook vooruit, stelt Van der Voet. „Naar de jongste dag, wanneer hemel en aarde zullen worden vernieuwd. Dat geeft ons niet het recht om de aarde uit te wonen. We moeten ons juist voorbereiden op de komst van Jezus Christus, door nu al datgene te doen waaraan Hij vreugde beleeft: gerechtigheid betrachten. Profeten hameren daar ook telkens op, op het doen van gerechtigheid, en ze stellen ongerechtigheid aan de kaak. Welnu, in de hele milieuproblematiek zit diep onrecht.”
Eigen vlees
Messelink vraagt zich af of deze scherp profetische toon christenen verandert in ’praktiserende scheppingsmensen’. Hijzelf wijst liever op de verrijking van het persoonlijk geloof, zodra iemand de natuurlijke omgeving als schepping ontdekt. „We doen onszelf te kort door Gods hand niet op te merken.”
Die ontdekking heeft ook een weerbarstige kant, erkent Messelink. „Het grijpt in in je concrete leven, omdat dan ook de vraag ”hoe leef ik” naar je toekomt. En: welke schade brengt mijn leefstijl toe aan de schepping? Dat snijdt in eigen vlees.”
Van der Voet geeft concrete tips om gemeenteleden „enthousiast te maken voor de schepping.” „Wat te denken van een catechese-uur over God de Schepper op het strand? Of van een gemeenteavond over het heelal, met foto’s van de Hubbletelescoop?” Het kerkenraadsuitje gaat wat hem betreft naar de Oostvaardersplassen. „Wie weet kan de predikant daar wijzen op een zeldzaam geworden veldleeuwerik die hoog in de lucht Gods lof bezingt. Dat lied is ouder dan de opwekkingsliederen en ook mooier. Ik denk dat het van het paradijs is. Als wij niet snel méér doen aan natuurbeheer, zal ook dat lied verstommen.”
Dit is het laatste deel in een zevendelige serie over het doordringen van het evolutiedenken in de maatschappij.