Hippocrates is dus niet de eerste arts in Griekenland en in zijn tijd ook zeker niet de enige. Maar dat hij tijdens zijn leven al bekendstaat als een groot medicus, blijkt uit de vermelding van zijn naam in het werk van filosoof en tijdgenoot Plato. Ook de filosoof Aristoteles, wiens vader arts was, noemt Hippocrates in zijn geschriften. Vandaag de dag wordt de Griekse arts veelal gezien als de ”vader van de geneeskunde” omdat hij als een van de eersten stelt dat het ontstaan van ziekten samenhangt met natuurlijke factoren, zoals voeding en leefgewoonten. Hij verwerpt de gedachte dat goden of bovennatuurlijke krachten ziekten veroorzaken. Zo scheidt hij in de praktijk de geneeskunde van wetenschappen zoals filosofie en theologie.
Bij de uitoefening van het vak legt Hippocrates de nadruk op klinische observatie: hij noteert zorgvuldig symptomen en het verloop van een bepaalde ziekte. Als eerste beschrijft hij ziektebeelden zoals tetanus, longontsteking, tuberculose en malaria.
In totaal bestaan er zo’n zestig medische geschriften over ziekteleer, diagnostiek en behandeling die aan Hippocrates worden toegeschreven. Toch is het niet waarschijnlijk dat ze allemaal van zijn hand zijn. Zo verraden de verschillende stijlen en de tegenstrijdige opvattingen dat het ”Corpus Hippocraticum” het werk is van meerdere auteurs. Kenners vermoeden dat de meeste boeken werden geschreven tijdens het Hippocrates’ leven, bijvoorbeeld door leerlingen of volgelingen van hem, terwijl enkele tot op een halve eeuw later worden gedateerd.
Over het algemeen is Hippocrates een zachte heelmeester; bij zijn behandeling ligt de nadruk op het schoonhouden van de patiënt en een hygiënische behandeling door de arts. Voor de verzorging van wonden gebruikt hij voornamelijk steriel water of wijn en slechts af en toe verzachtende balsems. Daarbij leert hij dokters in opleiding om hun handen te wassen voordat zij iemand onderzoeken. Indien nodig gebruikt hij medicijnen, maar daarin is hij terughoudend; hij wil geen middelen inzetten waarvan later kan blijken dat die in dat geval verkeerd gekozen waren.
Wat iedereen kent, en elke arts in het bijzonder, is de ”eed van Hippocrates”. Tot op de dag van vandaag leggen medici deze eed af aan het begin van hun loopbaan, al wijkt de moderne Nederlandse versie behoorlijk af van de oorspronkelijke tekst. Belangrijk verschil is dat de eed -of belofte- euthanasie en abortus niet meer uitdrukkelijk verbiedt.
De gelofte waaraan de leerlingen van Hippocrates zich op deze punten verplichtten, luidt: „Ik zal aan niemand een dodelijk geneesmiddel toedienen, ook niet aan iemand die dit van mij vraagt; zelfs een aanwijzing in die richting zal ik niet verstrekken. Ik zal nooit een vrouw een middel toedienen ter vernietiging van ontkiemend leven.”
In de versie die Nederland sinds 2003 hanteert, is dit samengevat in een schamele zinsnede: „Ik zal aan de patiënt geen schade doen.”
Ook het slot van de Hippocratische eed is in de moderne formulering in zijn geheel niet meer terug te vinden: „Als ik deze eed trouw in acht neem en niet ontwijd, moge ik dan in mijn leven en in mijn kunst gezegend worden, en aanzien genieten bij alle mensen, ten allen tijde - maar als ik hem schend en meinedig word, dan wil ik het tegendeel ondergaan.”
Oorspronkelijke eed van Hippocrates
Ik zweer bij Apollo, de genezer, bij Asclepius, Hygieia en Panaceia, en bij alle goden en godinnen, die ik tot getuigen roep, dat ik deze eed en deze verklaring, naar beste weten en vermogen, zal nakomen.
Ik zal hem, die deze kunst aan mij heeft onderwezen, beschouwen als een vader, hem laten delen in mijn levensonderhoud en, als hij in schulden of nood zou geraken, hem op zijn verzoek steun verlenen. Zijn zonen zal ik gelijkstellen met mijn eigen broers; ik zal hun, als zij de wens daartoe te kennen geven, deze kunst leren zonder vergoeding en zonder schuldbewijs; tot mijn voorschriften, voordrachten en heel mijn verdere onderricht zal ik toegang geven aan mijn zonen, aan die van mijn leermeester en aan die leerlingen die zich bij mij hebben ingeschreven en gehouden zijn aan de medische wet; maar aan niemand anders.
Ik zal dieetregels naar beste weten en vermogen aanwenden tot heil der zieken, nooit tot hun verderf of schade.
Ik zal niemand een dodelijk geneesmiddel toedienen, ook niet aan iemand die dit van mij vraagt; zelfs een aanwijzing in die richting zal ik niet verstrekken.
Ik zal nooit aan een vrouw een middel toedienen ter vernietiging van ontkiemend leven.
Ik zal mijn leven en mijn kunst steeds zuiver en rein bewaren.
Ik zal geen operaties uitvoeren, zelfs niet bij lijders aan blaasstenen, maar ik zal dat werk aan deskundigen overlaten.
In welk huis ik ook binnentreed, ik zal er alleen binnengaan om de zieken te helpen; nooit zal ik er willens en wetens enig onrecht doen, in het bijzonder mij nooit schuldig maken aan seksuele omgang met man of vrouw, vrije of slaaf.
Ik zal, wat ik bij de uitoefening van mijn beroep ook zal horen of zien, of ook daarbuiten over het leven van mensen te weten kom aan dingen die nooit bekend mogen worden, in stilzwijgen bewaren, en het beginsel hooghouden dat dingen die mij zó bekend worden, vallen onder de plicht van geheimhouding.
Als ik deze eed trouw in acht neem en niet ontwijd, moge ik dan in mijn leven en in mijn kunst gezegend worden, en aanzien genieten bij alle mensen, te allen tijde - maar als ik hem schend en meinedig word, dan wil ik het tegendeel ondergaan.
Moderne versie (sinds 2003)
Ik zweer/beloof dat ik de geneeskunst zo goed als ik kan zal uitoefenen ten dienste van mijn medemens. Ik zal zorgen voor zieken, gezondheid bevorderen en lijden verlichten.
Ik stel het belang van de patiënt voorop en eerbiedig zijn opvattingen. Ik zal aan de patiënt geen schade doen. Ik luister en zal hem goed inlichten. Ik zal geheimhouden wat mij is toevertrouwd. Ik zal de geneeskundige kennis van mijzelf en anderen bevorderen. Ik erken de grenzen van mijn mogelijkheden. Ik zal mij open en toetsbaar opstellen, en ik ken mijn verantwoordelijkheid voor de samenleving. Ik zal de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de gezondheidszorg bevorderen. Ik maak geen misbruik van mijn medische kennis, ook niet onder druk. Ik zal zo het beroep van arts in ere houden.
Dat beloof ik.
of
Zo waarlijk helpe mij God* almachtig.
(Gekozen is voor de algemene formulering ”God”, waarbij studenten afhankelijk van hun geloofsovertuiging de naam van hun God in gedachten kunnen invullen.)