Om te voorkomen dat de dromerige dikzak een doetje wordt, stuurt de zwaarlijvige weduwnaar hem naar een andere privéschool in Shrewsbury, eveneens van een predikant, maar mét een internaat waar spartaanse toestanden heersen. Het stokoude gebouw, waarin momenteel de stadbibliotheek onderdak heeft, is donker en vochtig. Zestig jaar later raakt Darwins maag nog van streek bij de herinnering aan de „afschuwelijke lucht” van de slaapzaal.
Samuel Butler laat de studenten blokken op Grieks, Latijn en de geschiedenis van de klassieke oudheid, waar de negenjarige knaap een hartgrondige hekel aan heeft. Na de lessen spoedt hij zich naar The Mount, waar hond Spark hem blaffend en kwispelend verwelkomt. Voor het donker keert hij snel weer terug, want anders wast Butler hem de oren.
De strenge directeur zou zijn ogen niet geloven als hij nu Darwins standbeeld, pal voor de ingang van zíjn school, zou zien. Hij had destijds geen hoge pet op van zijn leerling. De domkop weigert te werken aan dingen die écht nuttig zijn en verspilt zijn tijd maar met het verzamelen van rommel, chemische proeven en zijn nieuwe hobby: het schieten van vogels. Ook vader reageert boos op de matige prestaties: „Het enige waar jij om geeft, zijn je geweer, de honden en je jacht op ratten. Je maakt jezelf en je familie te schande!”
Na zes jaar komt er een eind aan het kostschoolregime; de Dokter wil dat zijn hardleerse zoon in de Schotse hoofdstad Edinburgh geneeskunde gaat studeren. De zestienjarige Charles kan echter niet tegen bloed en moet kokhalzen bij het zien van een operatie.
Geïrriteerd roept vader hem na twee jaar terug, „omdat hij daar niets nuttigs uitvoerde.” Darwin wordt in 1827 vervolgens naar Cambridge gedirigeerd om zich in theologie te bekwamen. Wellicht dat hij daarna ergens op het platteland dominee kan worden. Bevriende wetenschappers wakkeren in deze periode bij de lauwe anglicaan de interesse in natuurlijke historie verder aan.
Nadat Charles met een zwak resultaat is afgestudeerd, bezorgt professor John Stevens Henslow, docent mineralogie en plantkunde, hem een baantje op de Beagle. Het marineonderzoeksschip heeft een topografische verkenningstocht op het zuidelijk halfrond voor de boeg en kapitein Robert FitzRoy zoekt een welopgevoede „gentleman” als tafelgast. Aan boord is al een officiële naturalist, de scheepsarts Robert McCormick.
Vader vindt de voorgenomen ontdekkingsreis waanzin, maar na Joseph Wedgwood te hebben geraadpleegd (die het avontuur toejuicht), mag zoonlief de koffers pakken. Even lijkt Charles’ grote neus nog roet in het eten te gooien. De kapitein is namelijk verslaafd aan fysiognomie, een kunst om van het uiterlijk van een mens de persoonlijkheid af te lezen (tegenwoordig gezien als pseudowetenschap - WS). De hooghartige zeerob twijfelt of iemand met zo’n gok wel voldoende „energie en vastberadenheid” heeft om deze wereldreis te ondernemen. Desondanks boekt de admiraliteit Darwin als ”reserve”; hij krijgt geen speciale taken en moet zelf opdraaien voor de reiskosten. De dag na Kerst kiest de Beagle het ruime sop en hangt de 22-jarige Charles al gauw kotsend over de reling.