Spelen is een vrije bezigheid die een kind zelf kiest en die het doet om het genot. Het jonge kind kiest zelf waarmee het wil spelen. Dat kan op eigen niveau en het geeft plezier.
Spel is een voorbereiding op het latere leven. Het kind ontwikkelt zich en leert nieuwe dingen. De basis voor het spel is er al bij een baby. Die speelt eerst met zijn lichaam, bijvoorbeeld de handjes en voetjes, later met dingen, zoals een rammelaar. Zo ontwikkelen zich de motoriek, de zintuigen, de oog-handcoördinatie alsook de verstandelijke vermogens. Als het goede materiaal aanwezig is, leert een kind al jong wat hard en zacht is, wat kan rollen, wat in elkaar past.
Een kind wil de wereld ontdekken. Zijn neiging tot spelen is aangeboren. Hiervoor is nodig dat er spullen aanwezig zijn die tot spel motiveren. Motivatie is belangrijk voor de wilsontwikkeling. Spel stimuleert ook de ontwikkeling van de emoties. Het geeft een fijn gevoel om bezig te zijn. Door samenspel ontwikkelt ook het sociale aspect. Spelen is dus van fundamenteel belang voor de totale ontwikkeling.
Veiligheid
Om tot spel te komen, is voor een kind een veilige omgeving onmisbaar. Waar moeder ingrijpt als het iets gevaarlijks dreigt te doen. Waar het niet de ene dag straf krijgt voor iets, terwijl hij er de andere keer voor wordt beloond. Een kind dat zich onveilig voelt, durft zelf geen initiatieven te nemen. Alleen een kind dat zich veilig voelt speelt. Alleen dan kan hij zich geven aan het spel.
Een gezond opvoedkundig klimaat in een gezin is van grote waarde. Een kind moet geen emotionele belemmeringen ervaren. Het moeten voelen dat het er mag zijn, erbij hoort, gewaardeerd wordt en geliefd is. Door de geboorte van een broertje of zusje kan een kind soms het gevoel van het tegendeel krijgen. Ouders dienen dan sterk te letten op hun benadering van hun oudere kind(eren).
Ouders kunnen het spelgedrag van hun kind remmen. Dit kan al in de box beginnen. Als een kind te pas en te onpas uit de box wordt gehaald, komt het niet tot spelen. Het leert zichzelf niet te vermaken. De opvoeder houdt het steeds bezig. Die bepaalt wat het kind moet doen. Ouders moeten het spel echter niet opleggen, maar een situatie scheppen waarin spelen mogelijk is. Ouders die bepalen wat hun kind moet doen, of zelf oplossingen voor het spel bedenken, beperken zijn creativiteit, inventiviteit en fantasie.
Ook een overbezorgde moeder kan het spel belemmeren, als haar kind niet mag rennen, vies worden of ’rommel’ maken. Deze beperkingen kunnen bij een kind een onaangenaam gevoel kweken, waardoor het niet tot spelen komt. Zijn nieuwsgierigheid wordt afgeremd. Er zijn te weinig mogelijkheden om iets te ontdekken, met verveling als gevolg.
Experimenteren
Ouders dienen hun kind(eren) ruimte te geven om te experimenteren. Ze moeten ervoor zorgen betrokken te zijn op hun kind, maar tegelijkertijd bij het spel optimale distantie te bewaren. Zij kunnen vragen waarin hun kind is geïnteresseerd en zijn initiatieven ondersteunen.
Opvoeders dienen ook de materialen en de omgeving af te stemmen op het niveau van het kind. Concrete spelsuggesties of aanmoedigingen moeten aansluiten bij het ontwikkelingsniveau van het kind. Die kunnen het spel verbreden, verdiepen of verrijken. Als kinderen van jongs af zo’n opstelling ervaren, gaan ze meer onderzoekend spelen.
Het is goed het kind te vragen een aantal dingen te bedenken die het wil doen. Vervolgens kunnen de ouders het kind zelf daaruit laten kiezen. Dat daagt het kind uit. Ouders hoeven niet altijd ervoor te gaan zitten. Even meedoen kan al voldoende zijn.
Het is goed het kind met rust te laten als het geconcentreerd bezig is. Al spelende ontdekt het nieuwe dingen. Dat bevordert zijn ontwikkeling. Ook kan het stimuleren een vriendje van school uit te nodigen met wie het kind kan spelen. Verder is voldoende slaap van belang, zodat het kind niet te moe is om te spelen.
Ouders dienen een rijke speel- en leefomgeving te scheppen, zodat er iets te leren valt. De aanwezigheid van veel of weinig speelgoed hoeft geen belemmering te zijn. Wel blijkt vaak dat een teveel aan speelgoed het spel kan belemmeren. Belangrijk is wat het kind met het aanwezige speelmateriaal mag doen en welke andere spullen het erbij mag gebruiken.
Rebecca krijgt een mooi prinsessenkasteel voor haar verjaardag. Haar broers vinden een rood bolletje wol. Daarvan knippen ze ’gordijnen’, die ze met plakband aan het kasteel vastmaken. Soms halen ze de auto’s van de jongens, de blokken en het speelkleed erbij, evenals zelfgemaakt geld. Daarmee spelen ze autohandeltje, dat wel eens een week mag blijven staan. Het ’toevallige’ materiaal bevordert het spel sterk en stimuleert de fantasie.
Krampachtig
Opvoeden gebeurt met vallen en opstaan. De vraag is wel: Mag het kind nog kind zijn? Mag het ook een keer niets doen? Uit verveling kunnen soms mooie en nieuwe spelvormen ontstaan. Ineens ontdekt het kind iets. Het moet zijn eigen gang kunnen gaan.
Ouders dienen er rekening mee te houden dat elk kind uniek en dus verschillend is. Het ene kind heeft vanuit zijn aanleg meer fantasie en creativiteit dan het andere kind. Het ene kind speelt graag alleen, het andere kind speelt liever samen. Ouders moeten hun kind(eren) niet vergelijken met andere kinderen. Zij dienen zichzelf de vraag te stellen of het kind er last van heeft als het zich in hun ogen verveelt. Vaak is die verveling een probleem van de ouders.
Het gevaar bestaat dat een kind nauwelijks de tijd krijgt om op zijn gemak tot eigen spel te komen. Het loopt spaak als (on)uitgesproken verwachtingen van opvoeders niet passen bij de aard en de behoeften van het kind. Dan kan het klachten ontwikkelen, zoals moeheid, depressie, koppigheid, maar ook… verveling!
Drs. Keus is oud-docente pedagogiek aan hogeschool Driestar educatief, echtgenote en moeder van drie volwassen kinderen.
Tips
Geef uw kind tijd te ontdekken wat het kan.
Geef het de gelegenheid tot spelen te komen.
Vermaak het kind niet; dat moet het zelf leren.
Zorg voor uitdagingen, maar dring niets op. Zit niet constant ’boven op’ het kind.
Zorg voor een rustige sfeer en een veilige omgeving.
Zorg dat het kind voldoende slaapt.
Maak minstens tweemaal zo veel positieve opmerkingen als negatieve.
Heb uw kind onvoorwaardelijk lief.