Spinoza, Marx, Freud. In hun tijd en ver daarna hebben ze het denken diepgaand beïnvloed, ook al hebben ze geen Nobelprijzen gewonnen. De eerste twee leefden voordat de prijzen werden uitgereikt, dus waren daardoor al bij voorbaat kansloos. Veel hadden deze prominenten niet gemeenschappelijk, behalve dan dat ze allen stamden uit joodse geslachten.
Ook in de ’familie’ van Nobelprijswinnaars staan joodse wetenschappers hoog genoteerd. Onder hen zijn bekende geleerden als Karl Landsteiner, de Oostenrijks arts die in 1901 de bloedgroepen ontdekte en daarvoor in 1930 de Nobelprijs voor geneeskunde kreeg. Daarnaast deed hij onder meer onderzoek naar polio en ontdekte dat zenuwweefsel van overleden kinderen bij apen eveneens de aandoening kon opwekken.
Een andere beroemdheid met joodse wortels was de Deense fysicus Niels Bohr. Hij ontving de Nobelprijs voor natuurkunde in 1922 voor zijn ontdekking van de structuur van atomen.
De Duitse fysicus Gustav Hertz, eveneens van joodse komaf, ontving in 1925 samen met James Franck de Nobelprijs voor natuurkunde voor zijn ontdekking van de wetten die de invloed van op atomen botsende elektronen beheersen.
Ten slotte nog een joodse laureaat van meer recente datum. In 1997 kreeg Stanley Prusiner de Nobelprijs voor geneeskunde voor zijn ontdekking van prionen, de verwekkers van de ziekte van Creutzfeldt-Jacob. Prusiner is hoogleraar in de neurologie, virologie en biochemie.
Genoemde wetenschappers vormen slechts een greep uit de ruim 150 joodse Nobelprijswinnaars die van 1901 tot heden de prestigieuze prijs hebben gewonnen. Op een totaal van 770 laureaten is dat aantal goed voor bijna 20 procent van het aantal prijswinnaars.
Statistiek
In 2003 maakte fysicus prof. dr. A. Lagendijk, tegenwoordig werkzaam bij het FOM-instituut voor Atoom- en Molecuulfysica in Amsterdam en deeltijdhoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam een kleine berekening. Lagendijk sloeg aan het tellen voor zijn column in het wetenschapskatern van de Volkskrant.
Hij schat dat het totale aantal joden in de wereld rond de 15 miljoen schommelt. Dat is ongeveer een kwart procent van de totale wereldbevolking. Dat kwart procent is dus goed voor 20 procent van de Nobelprijzen. Lagendijk stelt dat er veel is in te brengen tegen een dergelijke berekening, maar er is volgens hem toch sprake van een formidabele prestatie.
Vervolgens maakt hij een vergelijking met moslims en christenen. Hoeveel Nobelprijzen kregen die? Lagendijk schat het totale aantal moslims op 1,2 miljard, zo’n 20 procent van de wereldbevolking. Er zijn dus tachtig keer zo veel moslims als joden. Toch kregen niet meer dan acht moslims ooit een Nobelprijs, zo’n 1 procent van het totale aantal winnaars.
Lagendijk gaat er overigens aan voorbij dat van die acht er drie geen moslim zijn, maar Arabische christenen. En één Nobelprijswinnaar uit dit groepje was Yasser Arafat, die nu niet direct bekendstaat om zijn wetenschappelijke prestaties. Maar los daarvan, deze nuancering maakt voor de denklijn nauwelijks verschil.
De Amsterdamse fysicus maakt duidelijk dat zijn vergelijking eigenlijk niet eerlijk is. Moslims leven nu eenmaal vaak in ontwikkelingslanden en hebben daardoor minder opleidingsmogelijkheden. Daarom is een vergelijking met christenen meer op zijn plaats, aldus Lagendijk.
Hij pakt vervolgens de bevolking van Frankrijk en Duitsland, twee landen die hij bestempelt als ontwikkelde christelijke naties en die samen zo’n 140 miljoen mensen tellen. Hoeveel Nobelprijswinnaars leverden beide landen in de loop der jaren af? Aardig wat, maar het aantal joodse laureaten is vele malen groter. „Dus ook de christenen leggen het grandioos af”, aldus Lagendijk.
Interessant in dit verband is natuurlijk ook een vergelijking met het kleine Nederland. Met 16 miljoen inwoners wijkt het bevolkingsaantal niet zover af van de 15 miljoen joden wereldwijd. Hoeveel laureaten leverde Nederland af in de vorige eeuw en de eerste jaren van het nieuwe millennium? Om precies te zijn zeventien en één van hen had een joodse achtergrond, namelijk Tobias Asser, die in 1911 de vredesprijs kreeg. Dat aantal steekt dus schril af tegen de 150 joodse Nobelprijswinnaars.
Dictators
Nog even terug naar de christenen. De meeste Nobelprijswinnaars komen nog altijd uit de Verenigde Staten, een land waarin de christelijke invloeden -zeker de laatste decennia- groter zijn dan in de meer geseculariseerde West-Europese landen. Dus of christenen het grandioos afleggen?
Baron dr. Stig Ramel, Zweed van geboorte en jarenlang directeur van de Nobelstichting, komt als het over de VS gaat overigens met een heel andere verklaring. De vele Nobelprijzen hebben Amerikanen volgens Ramel te danken aan Hitler, Mussolini en Stalin. Veel Amerikaanse laureaten of hun ouders zijn vanuit Europa naar de VS gevlucht nadat genoemde dictators de macht hadden gegrepen. En is een belangrijk aantal van die landverhuizers en latere prijswinnaars niet van joodse origine?
Overigens is het opvallend dat er in het 57-jarige bestaan van de staat Israël slechts zeven Nobelprijzen zijn toegekend aan Israëlische wetenschappers. Hebben ze in dit door oorlogen en aanslagen geteisterde land andere dingen aan hun hoofd of spelen er in het Nobelcomité verborgen sentimenten die ongunstig uitpakken voor Israëlische wetenschappers?
Verklaringen
Lagendijk geeft enkele verklaringen voor het verhoudingsgewijs hoge gehalte aan intellectuelen onder joden. De meest gangbare is dat in de joodse cultuur eeuwenlang de studie van thora en talmud een dominante plaats heeft ingenomen. Van schriftgeleerde naar geleerde is volgens deze verklaring een kleine stap.
Een andere verklaring grijpt terug op de Verlichting waardoor joden zich zouden hebben kunnen ontworstelen aan een verstikkende orthodox-religieuze invloed. Die reden lijkt minder steekhoudend: orthodox-religieuze opvattingen hoeven de bloei van de wetenschap zeker niet in de weg te staan. Prominente geleerden als Pascal, Newton en Boerhaave zijn daarvan het bewijs. En mocht de verklaring wel kloppen: christenen hebben eenzelfde proces doorgemaakt, maar er dan toch minder van ’geprofiteerd’ dan joden.
Er is ook een sociaal-economische verklaring voor het grote aantal joodse geleerden. Vervolgingen en andere verdrukkingen maakten dat joden vooral als wetenschappers, artsen en zakenlui door het leven gingen. Ze sloegen hun pinnen niet al te vast in zodat ze -indien nodig- snel konden uitwijken naar andere landen.
Lagendijk geeft zelf aan dat nog steeds niet duidelijk is wat de verklaring is voor „het onovertroffen presteren” van joodse wetenschappers. „Andere culturen zouden er graag van profiteren als de succesformule bekend zou worden.”
Wellicht is de belangrijkste verklaring wel deze dat God in Zijn wijs beleid het jodendom de eeuwen door niet alleen heeft willen bewaren in de verstrooiing -ondanks alles wat op dit volk is afgekomen- maar het ook heeft willen begiftigen met verstand.