„Wat ons het meest verbaasde, is het oor van de insecteneter”, stelde onderzoeker dr. Zhe–Xi Luo, van het Carnegie Museum of Natural History. „Zoogdieren hebben een veel gevoeliger gehoor dan andere gewervelde dieren.”
Dankzij de gevoelige middenoorstructuur hoort een zoogdier zowel hoge als lage tonen. Evolutiebiologen veronderstellen dat de ontwikkeling van het complexe gehoor noodzakelijk was om het dinosauriërtijdperk te kunnen overleven.
De ontwikkeling van het gehoor werd volgens hen mogelijk gemaakt door de aanwezigheid van middenoorbotjes, waaronder de hamer en de stijgbeugel. Deze zouden uit het kaakscharnier van de reptielachtige voorouders van zoogdieren zijn geëvolueerd.
Paleontologen willen graag begrijpen hoe de botjes los konden komen van de kaak om vervolgens de complexe middenoorbotjes te vormen.
De middenoorbotjes van Maotherium asiaticus zijn voor het grootste deel gelijk aan die van hedendaagse zoogdieren. Volgens de onderzoekers heeft het dier daarnaast een ongebruikelijke verbinding tussen de onderkaak en het middenoor, het ‘verbeende Meckel’s kraakbeen’. Deze structuur komt voor bij zoogdierembryo’s en in het middenoor van uitgestorven zoogdieren.
Volgens dr. William Dembski, onderzoeker aan het Amerikaanse Discovery Institute, komt het bewijs voor de evolutie van het oor echter neer op het tellen van botjes bij reptielen en zoogdieren. „Objectief bezien zijn de botjes zeer verschillend. Er is totaal geen bewijs hoe evolutie kaakbotten van een reptiel heeft verhuisd naar een zoogdieroor.”
Dembski vindt het getuigen van subjectiviteit dat bij duidelijk verschillende structuren wél, maar bij gelijke structuren –zoals de duim bij de grote en de rode panda– géén evolutionaire verwantschap tussen dieren wordt verondersteld.