Het museum, dat medio 2007 na een grondige renovatie werd heropend, herbergt sinds de oprichting in 1964 enkele wereldberoemde schedels en botten die onder andere door het Britse echtpaar Louis en Mary Leakey in de Afrikaanse bodem zijn opgegraven.
Zoon Richard Leakey, eveneens onderzoeker van menselijke voorouders en eigenaar van de collectie, noemt de uitspraken van bisschop Adoyo „de meest schandalige die hij ooit heeft gehoord.” Hij is niet van plan onder druk van kerken zijn bottenverzameling naar een achterkamertje te verhuizen.
Gereedschapsmaker
Louis Leakey, als zoon van een Brits zendingsechtpaar op 7 augustus 1903 geboren in Kenia, ontdekt op zijn dertiende enkele stenen werktuigen. Daarmee begint zijn levenslange passie voor de prehistorie. Aanvankelijk zou hij in de voetsporen van zijn vader treden, maar na zijn studie in Cambridge krijgt hij het aanbod deel te nemen aan een fossielenexpeditie in Afrika. Sindsdien drukt hij zijn stempel op de paleoantropologie.
Louis, hoewel gehuwd, krijgt een relatie met Mary Nicol, met wie hij later trouwt en die hem drie zonen schenkt. Ze delen dezelfde interesses.
Het tweetal doet de belangrijkste ontdekkingen in de Olduvaikloof in Tanzania. Ze treffen daar vooralsnog alleen stenen werktuigen en fossielen van dieren aan. Echter, als Mary in 1959 –stoer sigaren rokend en op soldatenkistjes lopend– opnieuw een tocht door de kloof maakt, ziet ze een tand die boven de grond uitsteekt. Na enig graafwerk stuit ze op een schedel die veel gelijkenis vertoont met een aapachtige van het geslacht Australopithecus, die al enige tijd beschouwd wordt als menselijke voorouder.
Mary noemt het fossiel ”dear boy”. Richard, die er ook bij is, verkeert in de veronderstelling dat zijn moeder hier de eerste gereedschapmaker heeft ontdekt. Hij noemt het fossiel Zinjanthropus (”Oost-Afrikaanse man”), met de toevoeging ”boisei” naar de schatrijke diamantzoeker Charles Boise, die dit onderzoek financiert. Ongewoon grote kiezen zijn volgens hem een aanwijzing dat deze ‘mens’ geleefd heeft van noten en bessen, zodat de fossiele ”Zinj” al gauw als ”notenkraker” bekendstaat.
Theater
Dr. Louis Leakey heeft een levendige verbeelding bij het interpreteren van de vondsten. Zeker in de beginjaren werkt hij slordig en gehaast. Niet gehinderd door enige geologische kennis die voor de datering essentieel is, markeert de archeoloog vindplaatsen slecht of helemaal niet. De man maakt op de achterkant van sigarettendoosjes notities, die hij vervolgens achteloos laat slingeren.
Louis weet best dat Zinj een aapachtige is. Omdat hij echter de menselijke afstammingslijn graag wil completeren, besluit hij de vondst als hominide (mensachtige) op te voeren.
De Amerikaanse National Geographic Society (NGS) besluit de Leakeys van alle noodzakelijke middelen te voorzien, in ruil voor een ereplaats voor fotografen en filmploegen bij de opgravingen. Het duo Leakey staat daarom voor de opgave om telkens met nieuwe kandidaten voor de menselijke afstamming te komen, weet dr. Marvin Lubenow, hoogleraar apologetiek aan de Southern California Bible College, die vorig jaar het boek ”Bones of contention. A creationist assessment of human fossils” (ISBN 0801065232; 400 blz.; $ 27,99) publiceerde. En wat Louis daarbij aan wetenschappelijke overtuigingskracht mist, compenseert hij met theater.
Het magazine van NGS publiceert in 1960 in ieder geval een artikel over het fossiel Zinjanthropus boisei. De illustrator maakt op aanwijzingen van Louis een verbazingwekkend menselijke gelijkenis. „Zinj lijkt op een filosoof, die zo het debat aankan met Immanuel Kant, ondanks dat zijn herseninhoud slechts een derde bedraagt dan die van een mens”, aldus Lubenow. „Geen enkele evolutionist heeft protest tegen deze onwetenschappelijke benadering aangetekend. Dit is geen wetenschap maar evolutionistische propaganda.”
Frappant is echter dat de gorilla-achtige Zinj inmiddels geruisloos is afgevoerd van de lijst van menselijke voorouders. Hij staat nu bekend als Australopithecus boisei en sinds enkele jaren ook als Paranthropus boisei. Dit zijn uitgestorven aapachtigen.
Handige man
Intussen gaapt er rond 1960 een gat in de evolutie van de aapachtige australopithecinen naar de menselijke Homo erectus, constateert Ian Tattersall, curator van het American History Museum. „H. erectus is groot en australopithecinen zijn klein.”
Mary en Louis Leakey vinden in 1964 in de Olduvaikloof goede kandidaten om dat gat op te vullen. Louis tooit ze met de kleurrijke namen Cinderella, George, Twiggy en Johnny’s Child. Ze liepen waarschijnlijk rechtop en gebruikten de stenen werktuigen die voorheen aan Zinj werden toegeschreven.
Louis gelooft dat hij hiermee –alweer– een nieuwe tussenvorm heeft gevonden, meldt de Leakey Foundation op haar website. Met twee andere wetenschappers kondigt hij in 1964 in het wetenschappelijke tijdschrift Nature een nieuwe menselijke voorouder aan: Homo habilis, de ”handige man”.
Zelfs de Leakey Foundation noemt deze hominide controversieel. Sommige australopithecinen zijn immers al verder geëvolueerd dan H. habilis, aldus dr. Fiorenzo Facchini, auteur van ”Vroegste geschiedenis van de mens” (ISBN 9789085711926; 240 blz., € 44,95). Hedendaagse paleoantropologen vragen zich in ieder geval af of H. habilis wel een aparte soort is, of juist als vergaarbak van H. erectus en diverse Australopithecussoorten gezien moet worden.
Ook Richard Leakey erkent het probleem. „Over een paar dozijn fossiele resten is geen consensus tot welke taxonomische groep ze behoren.”
Halfslachtig
Vondsten van zogenaamde menselijke voorouders leiden wel vaker tot ideologisch gekleurde conclusies. Mary Leakey vindt bijvoorbeeld bij Laetoli in Tanzania in 1978 menselijke voetsporen van tweevoetige hominiden in versteende as die volgens haar 3,6 miljoen jaar oud zijn. Ze concludeert uit de afdrukken dat de voetboog goed ontwikkeld is en de grote teen in één lijn staat met de andere tenen. In haar ogen gaat het om sporen van een aapachtige van het geslacht Australopithecus. „Die was al tweevoetig in die tijd”, aldus Facchini in zijn boek, zonder daar overigens een steekhoudende verklaring voor te geven.
Lubenow signaleert hier een halfslachtige houding. „Waarom schrijven evolutionisten deze voetafdrukken toe aan aapachtige fossielen, terwijl ze ook stellen dat ze zichbaar identiek zijn aan de voetafdrukken van de moderne mens?” Hij heeft een vermoeden: de voetafdrukken passen anders niet in het evolutionaire schema, omdat daarin H. erectus op zijn vroegst 1,8 miljoen jaar geleden op het toneel verschijnt en de moderne mens pas 200.000 jaar geleden.
Mensaap
Het zoeken naar hominiden groeit door de jaren heen uit tot een heuse familieaangelegenheid. Wanneer Richard in 1960 in de voetsporen van vader treedt, sticht Louis het Institute of Primate Research (IPR) om onderzoek naar het gedrag van apen te stimuleren. „Absoluut noodzakelijk om de menselijke evolutie te begrijpen”, meent hij.
De initiatiefnemer stuurt met steun van NGS drie jonge vrouwen de rimboe in om het gedrag van mensapen te onderzoeken. Mary zegt ronduit tegen zijn ”engelen” dat ze „knettergek” zijn om alleen het oerwoud en van Afrika en Azië in te trekken. Jane Goodall, Dian Fossey en Biruté Galdikas-Brindamour krijgen later door toedoen van Louis een leidende rol in het onderzoek naar chimpansees, berggorilla’s en orang-oetans.
Darwin
Vanwege relaties met andere vrouwen, onder wie Jane Goodall, zet Louis zijn huwelijk onder druk. Mary schildert haar man op zijn vakgebied bovendien vanaf 1963 openlijk af als onbekwaam. Onenigheid over de interpretatie van een fossiele vondst leidt uiteindelijk tot een breuk tussen beiden én tussen Louis en NGS. Louis is daarmee van zijn inkomsten beroofd. Met enkele idolen richt hij 1968 de Leakey Foundation op, zodat hij zijn werk kan blijven financieren.
Zijn reputatie heeft evenmin onder deze tweespalt geleden. Na het overlijden van Louis Leakey op 1 oktober 1972 meet NGS de verdiensten van de ”Darwin van de menselijke prehistorie” breed uit in het januarinummer van 1973.
Mary overlijdt in 1996. De Leakeys drukken echter nog altijd een stempel op de hedendaagse paleoantropologie, al doet Richard het om gezondheidsredenen rustiger aan. Zijn vrouw Meave en zijn dochter Louise doen –met steun van zowel NGS en de Leakey Foundation– echter nog altijd opzienbarende vondsten. Zo meent Meave met haar team in 1999 –alweer– een nieuwe stam hominiden ontdekt te hebben. Zij noemt hem Kenyanthropus platyops. Het gaat om een schedel en een deel van een kaak van „3,5 miljoen jaar oud.” Deze hominide vertegenwoordigt naar haar zeggen een nieuwe voorouder van de mens, naast of in plaats van de al bekende aapachtige Australopithecusfamilie.
Tim White, een vooraanstaand paleoantropoloog van de universiteit van Californië, houdt het vooralsnog op een sterk vervormde schedel van een Australopithecus. En zo duurt de discussie voort.
leakey.com, leakeyfoundation.org.
Dit is het eerste deel van een drieluik over onderzoek naar vermeende menselijke voorouders.
Pottenkijkers niet gewenst
Rond mensachtige fossielen hangt een sfeer van geheimzinnigheid. Na bestudering bergt de vinder ze zorgvuldig op. Anderen krijgen nauwelijks toegang tot de overblijfselen van deze hominiden.
Richard Leakey en zijn vrouw Meave hebben de leiding over een aantal teams paleoantropologen, wetenschappers die de vroegste geschiedenis van de mensheid onderzoeken.
Zodra een team een fossiele hominide –een mensachtige– vindt, verhuist dat zo snel mogelijk naar de Hominid Room, een bomvrije betonnen ruimte bij het National Museum in Nairobi. Daar liggen de fossielen in voorgevormde blokken schuimrubber, beschermd tegen de geringste trillingen. Alleen Meave en een vertrouwd personeelslid hebben de sleutel van dit vertrek.
Andere paleantropologen bergen op een vergelijkbare manier hun schedels en botten op. Behalve onvervangbaar zijn deze fossielen namelijk bijzonder kwetsbaar; bij de minste trilling rammelen de tanden en kiezen uit de schedels.
Volgens Donald Johanson, ontdekker van de wereldberoemde aapachtige Lucy (Australopithecus), krijgen uitsluitend „degenen die instemmen met de gebruikelijke interpretatie van de ontdekker” toegang tot fossiele hominiden.
Binnen de paleoantropologie, waarin volgens de Amerikaanse geoloog dr. Terry Mortenson bijna uitsluitend wetenschappers met een evolutionistische achtergrond actief zijn, hebben de meeste onderzoekers geen toegang tot het materiaal waarop hun wetenschap is gebaseerd. „Ze moeten genoegen nemen met afgietsels”, aldus dr. Marvin Lubenow. „De meesten van hen beschouwen afgietsels van fossiele resten echter ongeschikt als basis voor een wetenschappelijke publicatie. Afgietsels zijn beslist geen vervanger van de originelen.” Daarnaast wijst hij op het gevaar van fraude.
Louis Leakey onderzocht bijvoorbeeld voor zijn boek ”Adams voorouders” de schedel van de Piltdownman. Bij elk bezoek aan het British Museum mocht hij de originelen even zien, maar moest zijn onderzoek uitvoeren met een afgietsel. Op die reproductie was niet te zien dat de hoektanden van de onderkaak –van een chimpansee– waren afgevijld, terwijl op het origineel de vijlsporen wel zichtbaar waren.
De paleoantropologie lijkt een wereld die bang is voor pottenkijkers. „Alleen collega’s die zelf in het bezit zijn van fossielen, krijgen toegang tot andere originele vondsten”, aldus Lubenow. Vanwege het uitgangspunt ”jij mag mijn fossielen zien, als ik die van jou mag zien” kan niemand beweringen over hominiden aan een kritisch wetenschappelijk onderzoek onderwerpen.