Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep
  Algemeen

Even in de Thalys en ziedaar

 Sinds 1944 is Normandië het land van de landingen, maar al veel langer is het een gebied van kastelen, kaas, cider en vakwerkhuizen. Foto Maison de la France, www.franceguide.com
 1 van 9  

Sinds 1944 is Normandië het land van de landingen, maar al veel langer is het een gebied van kastelen, kaas, cider en vakwerkhuizen. Foto Maison de la France, www.franceguide.com

Aan de ”bloemenkust” in Normandië vertelde een bekende impressionist aan een toen nog niet bekende impressionist dat hij talent had. In de zomer van 1858 trokken ze eropuit om het licht in verf te vangen. In de zomers en misschien ook wel in de winters van nu geven Philippe en Isabelle Levasseur -aan dezelfde bloemenkust- schildercursussen aan toeristen. Hun veelbetekenende knikjes geven cursisten het vermoeden dat ze kunstenaars in de dop zijn.
Normandië, in het noordwesten van Frankrijk, heeft zo’n 600 kilometer kust. Delen daarvan dragen namen als Côte d’Albâtre (albasten kust), Côte de Nacre (parelmoeren kust) en Côte de Fleurie (bloemenkust). Aan de laatste liggen pittoreske plaatsen als Trouville en Honfleur.

Bijna 150 jaar geleden liep de impressionist Eugène Boudin (1824-1898) met ”Het strand van Trouville” door de straten van Trouville. Een werk van olieverf op hout, 26 bij 48 centimeter. Boudin was degene die de 18-jarige Claude Monet (1840-1926) meenam, de natuur in, om hem les te geven in het kijken naar en vastleggen van het licht.

Door Trouville lopen nu regelmatig groepjes toeristen met een pizzadoos onder de arm. Daarin zit een schilderij van een appel, acryl op canvas, 18 bij 24 centimeter. Ze komen bij atelier Bleu Vert Mer vandaan, waar beginners en gevorderden schilderles kunnen krijgen. De eerste opdracht is steevast het naschilderen van een appel of een peer. Over het rood, geel en groen komt ten slotte een streepje wit: het licht dat voor de glans zorgt. De kunst is om dat ook op licht te laten lijken, en niet op een verdwaalde sneeuwvlok.

Rebelse koksmutsen
De schildercursus is een van de vele dingen die in Normandië te doen zijn. Vanuit Nederland ben je zó in Normandië, benadrukken Franse verkeersbureaus. De Thalys -Thális, zeggen de Belgen- doet er vier uur over om van Amsterdam naar Parijs te rijden; van daaruit is het nog een uur of twee met de auto.

Mooi voor een weekendbezoek of een korte vakantie, aldus de VVV’s. Wie dat wil, kan na de schildercursus een kookcursus volgen, na een kaasproeverij richting een ciderfabrikant rijden en ”by the way” een fraaie tuin aandoen. Of de invasiestranden bezoeken.

Sinds 1944 is Normandië het land van de landingen, maar sinds lang daarvoor is het een gebied van kastelen, kaas en cider. In Caen, twee uur rijden van Parijs, liggen die drie zaken dicht bij elkaar. Hier bouwde Willem de Veroveraar in de 11e eeuw zijn kasteel, waarvan de resten te bezichtigen zijn. En hier leren de koks van kookschool Les Toques Rebelles oftewel ”de rebelse koksmutsen” aan wie het maar wil hoe van kaas en cider en andere streekproducten eetbare kunstwerken te maken zijn.

Caen is de hoofdstad van Basse-Normandië -Normandië is verdeeld in twee regio’s, Haute- (hoog) en Basse- (laag) Normandië-, die in de Tweede Wereldoorlog grotendeels werd verwoest. Net als Le Havre overigens. Alleen werd Caen in stijl en in natuursteen herbouwd en Le Havre in grijs gewapend beton.

Toen Willem de Veroveraar, de zevende hertog van Normandië die in 1066 Engeland veroverde, halverwege de 11e eeuw naar Caen verhuisde, was er nog geen sprake van een stad. Er waren alleen gehuchtjes. Hij koos zijn uitvalbasis om strategische redenen. Hier woonde hij midden tussen de boeren, zodat hij de opstandigen onder hen goed in de gaten kon houden. En Caen lag vlak bij de zee, wat een goede economische reden vormde.

Dat was het begin van een stad die nu zo’n 117.000 inwoners telt, met historische huizen, een oude drukkerswijk vol boekwinkeltjes en met abdijen die wonderlijk genoeg de bombardementen overleefden.

Twee abdijen staan er dankzij de eigenwijsheid van Willem de Veroveraar. Hij wenste te trouwen met Mathilda van Vlaanderen, maar wachtte de toestemming van de paus niet af. Voor straf moesten de echtelieden elk voor een abdij zorgen; dat werden de Abbaye-aux-Hommes en de Abbaye-aux-Dames.

Côte de Grâce
Op de een of andere manier is het niet voorstelbaar dat er rond het visserstadje Honfleur ooit werd gevochten of veroverd. Honfleur ligt aan de monding van de Seine, vlak bij de indrukwekkende Pont de Normandie. Toepasselijk genoeg heet de kust hier Côte de Grâce, bevallige kust.

Honfleur klinkt lieflijk, fleurig en licht en is dat ook allemaal. Het is een stad om een dag of langer doorheen te slenteren. Cultuurliefhebbers bezoeken het marinemuseum of het museum voor schone kunsten, waar werk hangt van onder anderen Eugène Boudin, die in Honfleur werd geboren. Natuurliefhebbers kiezen eerst het park langs de pier, en het strand. Allebei zetten ze het Vieux Bassin op de foto, de 17e-eeuwse haven waarin hoge, smalle huizen zich voortdurend spiegelen en wandelen ze de door oude wijken en door straten zoals de dorpsstraat die Monet in 1864 schilderde.

Op zaterdagochtend bezoeken ze de markt, waar kaas en kruiden en vis en kleding te koop zijn. En ooit zal er iemand op het idee komen om een fotoreportage te maken van de honden in Honfleur. Tussen gelukkig kijkende mensen lopen hier namelijk opvallend veel gelukkig kijkende viervoeters rond.

Meer informatie: www.zomerinfrankrijk.nl; www.frankrijkdichtbij.nl; www.franceguide.com; www.lestoquesrebelles.fr.

Basiliek van Lisieux
„Er moet een basiliek komen in Lisieux en wel zo rap mogelijk”, zei de paus. „Nee nee nee”, zeiden de plaatselijke priesters. „Het moet”, zei de paus. „Te duur”, vonden de priesters. De basiliek kwam er. ’s Zondags is hij bijna te klein, vertelt Ria Augustijns, de Vlaams sprekende gids. Terwijl er in de crypte 4000 mensen passen.

De stad Lisieux -midden in de streek Pays d’Auge in Normandië- werd beroemd om zijn 20e-eeuwse basiliek. Of eigenlijk om de vrouw aan wie de kerk is gewijd: Thérèse van Lisieux.

Thérèse Martin werd geboren op 2 januari 1873. De tentoonstelling bij de basiliek vertelt via wassen beelden haar verhaal.

Op haar vijftiende trad Thérèse toe tot de orde van de karmelietessen in Lisieux, een strengkatholieke bedelorde. Daarvoor was ze wel eerst langs de priester, de bisschop en zelfs de paus geweest.

Na negen jaar geen contact met de buitenwereld te hebben gehad, stierf Thérèse aan tuberculose. Naar de gewoonte van de karmelietessen werd een geschrift van de overleden zuster gedrukt en uitgegeven. Over Thérèse was niets te melden, zei een collega-karmelietes in eerste instantie. Maar dat pakte anders uit. Toen Thérèses dagboek werd gepubliceerd, veranderde het in een bestseller. Wereldwijd lazen mensen de ”Histoire d’une âme”, de geschiedenis van een ziel, haar levensverhaal. Pelgrims trokken naar Lisieux om te bidden bij haar graf.

Na de zaligverklaring van Thérèse in 1923 vond de paus dat er een basiliek moest komen. „En rap.” Op 30 september 1929 werd de eerste steen gelegd, in 1937 werd de kerk ingewijd.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog vielen er dertig bommen om de basiliek. Eén viel erop: die ontplofte niet. De ontmantelde bom ligt er nog steeds. Elk jaar bouwt een vogeltje zijn nest bij de bom. Augustijns: „Als ik kinderen de kerk heb laten zien en aan het eind vraag wat ze het mooist vonden, zeggen ze altijd: De vogel bij de bom.”

„Ik constateer dat alles ijdelheid is en kommer onder de zon”
Dwars door alle aanbidding voor een gestorven heilige glimpt in de basiliek van Lisieux aanbidding voor de God Die Thérèse diende. In de stilte. In haar woorden. Stof tot mediteren voor een calvinist.

Wat was haar boodschap? „God ziet u graag”, aldus de bondige Vlaamse gids in de basiliek. „De mens is niet perfect, maar God ziet hem graag.” „Ze heeft gezegd dat je nooit te veel vertrouwen in de goede God kunt hebben”, schrijft kardinaal Godfried Danneels in het voorwoord bij de nieuwste editie van Thérèses dagboek. „In feite is het de liefde voor Christus waar haar levensverhaal van overstroomt.”

Maar er is meer, vervolgt hij. „Thérèse deelt drie gevoeligheden met haar lezer: ze is gerijpt in de smeltkroes van het lijden, ze is door de duisternis van het geloof gegaan en ze heeft haar zwakheid op intense wijze ervaren. De jonge heilige van Lisieux bekent dat ze geen dag zonder lijden is geweest: in haar ziel, in haar relaties en contacten, in haar lichaam.”

In het hoofdstuk ”Trek me mee, wij rennen” schrijft Thérèse daarover: „Ik kan niet zeggen dat Jezus mij uiterlijk de weg van de vernedering laat gaan. Hij vindt het genoeg mij in het diepst van mijn ziel nederig te maken. In de ogen van schepselen gaat mij alles goed af en volg ik, voor zoveel als mogelijk is in het religieuze leven, een eervolle weg.”

Het is wennen voor een protestant om haar boek te lezen. Eerlijk gezegd begint er van alles te kriebelen en gaan er voortdurend alarmsignalen af. Het gaat over de Heilige Maagd, over lieve prentjes, over kruisbeelden, weesgegroetjes en relikwieën. Tegelijk gaat het ook over -zoals Danneels het omschrijft- een klein meisje dat „het strenge Godsbeeld van haar tijd heeft omgebogen tot dat van de barmhartige Vader. In een tijd waarin iedereen ervan overtuigd was dat je de goddelijke gunst verdienen moest, heeft zij het ongehoorde aangedurfd: met lege handen voor God verschijnen.”

Terwijl Thérèse van Lisieux ernaar verlangt „een grote heilige te worden”, schrijft ze na zeven jaar in het klooster: „Ik reken immers niet op mijn eigen verdiensten, daar ik er geen enkele heb, maar ik vertrouw op Hem die de deugd en de heiligheid zelf is.” Veel bidden is haar credo.

„Hoe groot is de macht van het gebed!” schrijft ze. „Je zou het kunnen vergelijken met een koningin die op ieder moment toegang heeft tot de koning en alles verkrijgen kan waar ze om vraagt. Om verhoord te worden hoef je niet in een boek een mooie formulering te lezen die speciaal voor die omstandigheden opgesteld is. Als het zo was, hoezeer zou ik dan te beklagen zijn! Buiten het getijdengebed om, dat ik niet waardig ben te reciteren, heb ik niet de moed me ertoe te zetten mooie gebeden in boeken op te zoeken. Ik krijg er hoofdpijn van; het zijn er zoveel!”

Met de Reformatie in het achterhoofd -alleen het Woord, alleen geloof, alleen genade- is het gemakkelijk om af te haken bij een basiliek die ter ere van een mens werd gebouwd, met menselijke verdiensten hoog in het vaandel. Met diezelfde Reformatie in gedachten wordt elke kook- en schildercursus die er te volgen is in Normandië, en wat er zoal te zien, te doen en te genieten is zeer relatief.

Voor volgelingen van Calvijn kan het geen kwaad te mediteren in Lisieux, en te denken over wat een jonge non daar eens in haar dagboek schreef: „Ik beschouw het dan ook als een grote genade niet in Alençon te zijn gebleven. Onze vrienden daar waren veel te werelds. Ze wisten al te goed hoe ze de aardse vreugden konden combineren met de dienst aan de goede God. Ze dachten niet vaak genoeg aan de dood en toch hebben vele mensen die ik gekend heb, het bezoek gekregen van de dood; en dat waren jonge, rijke en gelukkige mensen! Ik keer graag in gedachten terug naar die betoverende plaatsen waar ze geleefd hebben. Ik vraag me dan af waar ze nu zijn, wat hun nog rest van de kastelen en parken waar ik hen zag genieten van alle comfort van het leven. En ik constateer dat alles ijdelheid is en kommer onder de zon. Het enige goed is: God liefhebben met heel je hart en hierbeneden arm van geest zijn.”

Mede n.a.v. ”Mijn levensverhaal”, door Thérèse van Lisieux, editie dr. Koen de Meester, vertaling Pauline Kortekaas; 2001; uitg. Carmel-EdiT, Moerzeke (België); ISBN 90 76590 02 8; 320 blz.; € 18,-.


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels