UTRECHT – In zijn studie over homoseksualiteit in protestants Nederland vat David Bos de kerkelijke geschiedenis samen in elf algemene termen. „Deze kan men opvatten als stadia, zij het dat het niet noodzakelijkerwijs altijd in deze volgorde gaat.”
Vooral de ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN) waren voor de Utrechtse universitair docent geschiedenis van het christendom aanleiding tot het beschrijven van elf stadia van acceptatie.
In de Gereformeerde Kerken in Nederland werd de bezinning op homoseksualiteit eind jaren vijftig op gang gebracht door dr. S. J. Ridderbos, die had kennisgemaakt met een homoseksuele man. Zijn publicaties over homoseksualiteit vormden een doorbraak. In de jaren 60 durfden gereformeerde homoseksuelen steeds vaker van zich te laten horen in radio-uitzendingen of kwamen ze aan het woord in publicaties. In 1965 werd een interkerkelijke werkgroep pastorale hulp aan homofielen opgericht (stadia 1-7).
De synode aanvaardde in 1972 een rapport waarin werd uitgesproken dat er geen reden voor een homofiel paar is om in onthouding te leven (stadium 8). Bijbelse verboden en veroordelingen waren volgens het rapport niet zonder meer van toepassing op homofilie. In 1979 discussieerde de gereformeerde synode opnieuw over homoseksualiteit. Nu werden het heilig avondmaal en de ambten opengesteld voor homoseksuelen (stadia 9 en 10). In 1989 werd in Loosduinen een homoseksuele relatie ingezegend. De synode veroordeelde volgens Bos het eigenmachtige optreden, maar de inzegening bleef van kracht (stadium 11).
Ook in de Nederlandse Hervormde Kerk heeft elk van de elf genoemde stadia zich voorgedaan, zij het wat later dan in de GKN en vaak niet op het hoogste niveau.
Bij behoudende protestantse gemeenschappen herkent Bos nu zes à zeven stadia van acceptatie. „Maar daar houdt het meestal op. De volgende stap in het licht van de stadia is het met andere ogen bezien van enkele Bijbelteksten. Maar men is bang voor identiteitsverlies en om zo de synodalen achterna te gaan.”