Zijn collecties, keurig geordend, koestert Charles als trofeeën. Hij groeit als anderen hem ermee complimenteren. Soms is het verlangen naar bevestiging zo sterk dat de jongen zich zelfs inbeeldt dat mensen hem bewonderen, waar hij zich vervolgens dan weer schuldig over voelt. In een dappere bui biedt de eenzelvige knaap oudere jongens op school een appel aan onder voorwaarde dat ze eerst moeten kijken hoe hard hij kan rennen. „Darwin was bepaald geen liefhebber van sport, maar wilde dolgraag dat anderen hem accepteerden.”
Ook thuis vraagt Charles soms op een aparte manier aandacht. Eens steelt hij ’s avonds perziken en pruimen uit de eigen tuin, verstopt het fruit, om vervolgens de volgende dag zijn vader te vertellen dat hij de buit heeft ’ontdekt’.
Naarmate de tiener ouder wordt, durft hij meer te zeggen. Hij vertelt sterke verhalen over natuurhistorie, zegt vreemde vogels te hebben gezien en beweert een bloem van kleur te kunnen doen veranderen. „Ik had een sterke neiging om opzettelijke onwaarheden te bedenken, altijd met de bedoeling opwinding te veroorzaken”, biecht hij in zijn autobiografie op. „Ik geloof dat ik in allerlei opzichten een ondeugend jongetje was.”