Deze novemberavond is de huiskamer gevuld met tien betrokken ouders. De plaatselijke hervormde predikant, ds. J. J. Verhaar, probeert altijd de bijeenkomsten bij te wonen. Hij opent om kwart voor acht de avond met het lezen van Hebreeën 12. „Het is een heftig gedeelte over de kastijding, waarin we worden opgeroepen tot de hogere christelijke levenskunst.”
Lijden staat haaks op het levensgevoel in onze tijd, zo stelt de pastor. „We zijn sterk gericht op genieten en willen lijden uitbannen. Het zou kunnen dat u datgene wat u is overkomen, opvat als straf. Misschien vraagt u zich af waarom juist ú deze moeilijke weg moet gaan, om ouders te zijn van homoseksuele kinderen. Ga uzelf niet vergelijken met anderen.”
Ds. Verhaar roept op tot volharding. „Voor u en uw kinderen is het de opdracht het leven in overeenstemming te brengen met Gods wil. De Heere verbindt daar een belofte aan. Als u de tucht verdraagt, behandelt God u als kinderen.”
Geen reacties
Deze avond staat de bespreking van een handreiking voor het gesprek met homoseksuele jongeren van de hervormde jeugdbond HGJB op de agenda. Het boekje blijft echter onbesproken op tafel liggen. De aanwezigen, afkomstig uit verschillende reformatorische kerken, hebben elkaar veel te vertellen.
Zo begrijpen ze niet dat er nauwelijks reacties zijn gekomen op een recent geplaatst artikel over de gespreksgroep in de hervormde kerkbode van Krimpen aan den IJssel. De moeiten van de ouders komen in dat artikel duidelijk uit de verf: „Wat kun je doen als je zoon uit de mannenvereniging is gezet, omdat hij vertelde dat hij homofiel is? Een gemeentelid vond zelfs dat je als ouders dan niet langer aan het heilig avondmaal kunt deelnemen.”
„U zit niet te wachten op medelijden”, reageert ds. Verhaar. De ouders knikken instemmend. „Maar ik heb het gevoel dat veel kerkgangers nog altijd in het stadium zitten dat ze denken dat homoseksualiteit hun deur voorbijgaat”, zegt een moeder. „Dat hebben wij ook gedacht”, vult een ander aan.
„Er wordt in de kerken niet eensluidend gedacht over homoseksualiteit. Dat veroorzaakt een hoop innerlijke strijd om als ouders ermee voor de dag te komen dat jouw kind een andere geaardheid heeft. Daarom heb je het gevoel dat je er helemaal alleen voor staat”, stelt een van de aanwezigen. „Maar het is zo belangrijk dat we niet in de steek worden gelaten.”
Subsidie
„Kan minister Plasterk geen subsidie geven om gespreksgroepen voor ouders op te zetten?” vraagt een moeder zich af. „In 1995 zijn we met deze kring begonnen onder begeleiding van medewerkers van stichting Schuilplaats. Die moesten afhaken omdat er geen geld voor was. We zijn toen in het diepe gegooid.”
Maatschappelijk werker Trudie Boerman knikt. „Er is in kerkelijke kring een toenemende openheid over dit thema. Het is goed als meer ouders weten hoe zij hun kinderen kunnen opvangen wanneer die met hun andere geaardheid voor de dag komen. De weg die zij voordat ze naar buiten treden alleen afleggen, is eenzaam en lang.”
„Dat was precies de reden waarom wij als ouders bij elkaar zijn gekomen”, geeft een moeder aan. „Toen we het hoorden van onze zoon, wisten we ook niet hoe we daarop goed moesten reageren. Hij zat in nood, maar wij ook. Dan helpt het niet om verstoppertje te blijven spelen.”
Alle aanwezigen zeggen veel baat te hebben bij de gespreksgroep, temeer daar er een predikant bij aanwezig is. „Die leiding is cruciaal”, meent een vader. „In ons landelijke kerkblad heeft pas een serie over homoseksualiteit gestaan”, zucht een vrouw uit de rechterflank van de gereformeerde gezindte. „Toen alles uit de doeken was gedaan, trok de schrijver de conclusie dat veel homofiele jongeren dominante moeders hebben. Dan krijg je nog eens een trap na. Met zo’n artikelenserie schiet ik dus weinig op.”
Homohuwelijk
Een ouderpaar brengt het recent gesloten homohuwelijk van hun zoon ter sprake. „Zijn jullie gaan feliciteren?” vraagt een vrouw. „Nee. We hebben de jongens vooraf nog een keer uitgelegd hoe wij over het huwelijk denken. Voor ons is een homohuwelijk geen feest”, antwoordt de moeder. Haar man: „Het is in de Bijbelse zin ook geen huwelijk te noemen. Dat ze homofiel zijn, is een feit. Maar de homoseksuele leefwijze kunnen we niet goedkeuren.”
„Was het een emotionele dag voor jullie?” vraagt iemand anders. „Ja. Het was een moeilijke dag voor ons. Je kind heeft een gedoopt voorhoofd en weet dat wat hij doet in strijd is met wat hij in zijn opvoeding heeft meegekregen.”
„Gaan jullie hen wel feliciteren als ze jarig zijn?” luidt een volgende vraag. „Ja, dat doen we. We willen onze zoon niet laten vallen, maar vasthouden. Ze komen ook bij ons thuis”, antwoordt de vader. „Dan handelen jullie volgens sommige dominees verkeerd. Die vinden dat je ze niet meer mag ontvangen”, reageert een moeder fel. Een ander haalt haar schouders op: „Ach, mijn predikant zei juist tegen me: Zul je je zoon nooit de deur wijzen?”
„Sommige mensen zien homoseksualiteit als de ergste zonde”, reageert ds. Verhaar. „Zelf denk ik dat dit geldt voor geestelijke zonden. Bovendien moeten we onze vooroordelen over homofiele mensen afleren, alsof ze bijvoorbeeld alleen maar aan seks denken.”
„Ik sprak pas een man, die zei: Homo’s zijn allemaal viezeriken. Ik ben er maar niet op ingegaan”, vertelt een vrouw verdrietig. Een vader: „De vriend van onze dochter wilde eerst niet naar de verjaardag van onze zoon, omdat er homo’s in huis waren. Gelukkig is hij tot andere inzichten gekomen en blijft hij niet weg. Hoe je in een situatie als de onze moet omgaan met de andere kinderen uit het gezin is een hoofdstuk apart.”
Openbare belijdenis
Het is ook een lastig moment als een van de kinderen uit het gezin bijvoorbeeld openbare belijdenis aflegt. Dat blijkt uit de reacties van de groep op de opmerking van een vader dat hij gemengde gevoelens had toen zijn homoseksuele zoon zei niet naar de kerk te komen. „Hij vond dat voor ons te gevoelig liggen.” „Ze voelen zich dan toch bekeken”, reageert een moeder.
Dan komt de vraag op tafel wat de ouders het moeilijkste vinden. Een van de elementen is dat hun kinderen vaak een lange en eenzame strijd hebben gevoerd, voordat ze de homofiele gevoelens aan hun ouders kenbaar durven maken. „Onze zoon wilde er niet mee voor de dag komen omdat hij bang was ons te kwetsen”, stelt een vader.
Zijn buurman: „Moeders hebben het vaak eerder door dan vaders. Toen mijn vrouw op zeker moment zei dat ze dacht dat onze zoon homofiel was, reageerde ik met: In ons huis geen flikkers.” Een vrouw, emotioneel: „Ik dacht ook altijd dat er alleen in ’t Gooi homo’s woonden. Tot ik er in het eigen gezin mee werd geconfronteerd.”
Niemand vindt het fijn om te zeggen dat hij homofiel is, is de algehele indruk. „Mijn zoon zag ooit een jongetje van tien jaar lopen en zei: „Arm kind.” Ik vroeg hem waarom hij dat zei. Hij antwoordde toen: „Die jongen is homo.” Toen ik hem confronteerde met zijn eigen homoseksuele leefwijze, zei hij: „Denk je dat ik echt gelukkig ben?” Dat moment zal ik nooit vergeten.”
Tegennatuurljik
„We zullen homoseksualiteit op grond van de scheppingsorde altijd tegennatuurlijk moeten blijven noemen”, reageert ds. Verhaar. „Deze leefwijze draagt ook de ontbinding in zich. Homoseksuelen hebben zelden een duurzame relatie.”
Een moeder moet vechten tegen haar tranen. „Op zeker moment reed ik met mijn inmiddels aan aids overleden zoon en mijn zus naar de verjaardag van mijn dochter. We kwamen langs de begraafplaats waar het graf van zijn vriend is. Hij vroeg: „Mag ik er even heen?” Ik zei: „Wij rijden met jou mee, dus jij mag het zelf weten.”
Hij kocht een grote bos bloemen met een kaartje erop: ”Van je liefste”. Ik zie nog voor me hoe hij bij het graf neerknielde en in tranen uitbarstte. Ik had diep medelijden met hem en besefte dat hij echt van zijn vriend had gehouden. Ik zei tegen m’n zus: „Wat moet ik nu doen?” Ze zei: „Ga maar naar hem toe.” Ik ben naar mijn zoon gelopen en heb mijn arm om zijn schouders gelegd. Was dat fout van mij?”
Het blijft even stil in de kamer. De klok wijst kwart voor elf. Een van de aanwezigen: „We moeten onze kinderen nooit laten vallen, maar iedere dag opdragen in ons gebed.”