Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep
  Algemeen

Een kwestie van leven en dood

Wanneer is iets levend? Wetenschappers vinden het niet simpel om precies aan te geven wanneer iets wel levend is en wanneer niet.
In de biologie is iets al levend als het voedsel opneemt, water nodig heeft, een werkende stofwisseling heeft, zich intern organiseert en alles inwendig op orde houdt, afval uitscheidt en zich kan voortplanten.

Dat betekent dat een virus niet leeft, omdat het geen voedsel gebruikt en zich alleen kan voortplanten in de cel van een mens of dier.

Oersoep

Volgens de evolutionisten is leven ergens ooit spontaan ontstaan in een prutje dat ze oersoep noemen. Hoe dat is gegaan is nog schimmig, maar volgens hen is het wel zeker dat al het leven op aarde daarvan afstamt. Eén ding is voor hen zeker: er kwam geen hoger Wezen aan het ontstaan van leven te pas; en er is geen onderscheid in soorten leven.

Schepping

De Bijbel spreekt anders over leven: op de derde, vijfde en zesde dag schiep God leven. Dat laat geen ruimte voor spontaan ontstaan van leven, zoals evolutionisten –en heidense filosofen– beweren.

Toch is er verschil in soorten leven. Van planten bijvoorbeeld is in Genesis 1 niet beschreven dat ze een ziel hebben.

Dieren ontvangen een ziel bij hun schepping, maar volgens Genesis 1 is dat een ziel die God voortbrengt uit het water en uit de aarde. Als de dieren naar de ark komen (Gen. 7) worden ze genoemd „alle vlees, waarin een geest des levens was.”

Alleen van de mens staat dat de Heere God in zijn neusgaten een adem des levens heeft geblazen (Gen. 2:7). Dat staat niet van de dieren beschreven.

Ontzaglijk

De mens is dus geen dier. Het onderscheid tussen mens en dier is ontzaglijk groot bij de dood. „Wie merkt dat de adem van de kinderen der mensen opvaart naar boven, en de adem der beesten nederwaarts vaart in de aarde?” (Pred. 3:21).

Dit is het tiende deel in een serie over schepping en evolutie.

Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels