Ik probeer iets te zien, maar er schijnen zulke felle lampen. Ik zie alleen maar schimmige gezichten met groene lapjes voor de mond. Er golft paniek door me heen. Die snijdt m’n adem bijna af. Ik voel me zo moe, zo vreselijk moe. Ik lig op een harde tafel.
Plotseling begint alles om mij heen hevig te suizen. Ik voel even dat m’n loodzware, vermoeide lichaam zich als het ware in tweeën splitst. Dan ben ik in staat alles om mij heen te zien. Ik kan zomaar gaan zitten en van die tafel stappen. Mensen met gespannen gezichten staan over mij heen gebogen. Ze zijn zo druk met mij bezig dat ze niet in de gaten hebben dat ik er stilletjes tussenuit piep. Ze gaan niet eens opzij!
Zuurstofflessen
Ik begin de grote ruimte waarin ik ben te bekijken. Allemaal tafels op wieltjes met groene kleedjes over allerlei scharen en tangetjes. Er staan zuurstofflessen met slangen aan apparaten.
Even daarna beginnen al die in het wit en groen geklede en gemaskerde mensen zenuwachtig te rennen. Ik ben al een eind bij hen vandaan en van datgene waar zij zo druk mee bezig zijn, daar op die tafel.
Ik besluit te gaan bekijken wat die paniek veroorzaakt. Zonder moeite loop ik dwars door die mensen heen; ze merken mij toch niet op. Als ik vooraan sta, zie ik wat daar op die tafel ligt. Een enorme paniek golft door mij heen: ik ben het zelf! Mijn hele lichaam schokt telkens omhoog, maar er komen geen tekenen van leven.
Ik blijf aan de grond genageld kijken naar mijn eigen dode lichaam. Dat duurt niet lang. Opeens voel ik dat ik steeds lichter word. Ik begin een beetje te zweven. Dan besef ik in volle hevigheid dat wanneer ik niet meer in mijn lichaam terugkom, ik voor altijd ben overleden!
Met alle geweld houd ik mij aan van alles vast om maar niet bij mijn lichaam vandaan te zweven. Op het laatst hang ik ondersteboven in de lucht, mijn handen vastgeklemd aan de operatietafel waarop m’n lichaam ligt.
Niemand heeft dit in de gaten. Daardoor kunnen ze mij in deze angsten ook niet helpen. Na een poosje is de opwaartse druk zo groot dat ik de tafel moet loslaten. Als een ballon blijf ik aan het plafond van de operatiekamer kleven. Ik hoop dat de mensen beneden mijn lichaam maar snel tot leven zullen brengen, dan word ik er misschien weer in getrokken. Maar het gebeurt niet.
Hoger en hoger
Ik zweef steeds verder bij mijn lichaam weg, richting de ramen. Gelukkig staat er geen raam open. Maar ik heb dit nog niet vastgesteld of een zuster loopt naar de raampartij en draait een van de bovenraampjes een stukje open. Ik schreeuw heel hard dat ze die snel weer moet dichtdoen, maar ze reageert niet.
Waar ik bang voor ben, gebeurt. Ik zweef onmiddellijk met de luchtstroom mee naar dit open raam. Ik houd mij zo lang mogelijk aan dat raam vast totdat ik uiteindelijk ook dit moet loslaten en mij zo maar in de buitenlucht voel weg zweven, steeds hoger en hoger.
Ik zie het hoge ziekenhuisgebouw, met de vele geparkeerde auto’s er omheen. Ik zie de Maas met zijn vele schepen en het woest golvende water. De grote Euromast lijkt een klein torentje. Alles wordt steeds kleiner, totdat wolken mij het zicht naar beneden ontnemen.
Ik ben vast overleden, stel ik met schrik vast. Ik kijk naar mijzelf. Ik ben er, maar ook weer niet. Ik ben een schimmige gestalte. Hoe is dit mogelijk? Droom ik? Dan wil ik meteen wakker worden!
Na verloop van tijd zie ik een zwarte stip. Deze wordt steeds groter. Hij lijkt op de ingang van een grote buis waarvan de binnenkant inktzwart is. Ik word er naartoe getrokken en er ingezogen. Het is er aardedonker en ik kan maar in één richting zweven. Na een behoorlijke tijd door die buis te hebben gezweefd, zie ik een lichtpuntje dat steeds dichterbij komt. Het blijkt de uitgang te zijn. Een zee van heerlijk zacht licht straalt mij tegemoet.
Onuitsprekelijke dingen
Wat ik na de buis zie, is eigenlijk niet te beschrijven; het zijn onuitsprekelijke dingen. Ik zie een lieflijk landschap met licht glooiende groene heuvels en een schitterend blauwe hemel erboven. In een weide groeien de mooiste bloemen met een zeer grote verscheidenheid en kleurenpracht.
Ik word overstelpend emotioneel en moet heel hard huilen, maar heb geen tranen. Ik ben ook helemaal verrukt over de briljante Schepper Die dit alles tot aanzijn riep.
Ik ben op het prachtige grasveld tot stilstand gekomen en lig mij te verwonderen over de volmaakte harmonie om mij heen. Achter mij bevindt zich de donkere uitgang van de tunnelbuis. Zachte muziek streelt mijn oren, al kan ik er geen melodie in herkennen.
In de verte lopen gestaltes in lange witte klederen op een pad tegen een glooiende, groene heuvel. Ik kan ze niet herkennen, daarvoor zijn ze te ver weg. Aan de voet van de heuvel klatert een helder riviertje, dat zijn oorsprong heeft in een rotspartij en via een watervalletje zijn bedding volgt.
Tegen de heuvel staat een lange, witte trap die naar de voet van een soort witte troon voert. De witte gestaltes bewegen zich op die trap naar boven en beneden. Wat mij nadrukkelijk opvalt, is dat er geen zon aan de stralend blauwe hemel te zien is en er toch een heerlijk Licht is. Dat Licht omstraalt alles. Daardoor zijn er geen schaduwen.
De hele omgeving ademt harmonie en vrede. Ik neem het goed in mij op, verwonder mij erover en voel me zorgeloos. Tegelijk koester ik me aan de warmte van dat heerlijke Licht, dat mij ook intens blij en gelukkig maakt.
Ik weet niet hoe lang ik er lig, als ik achter mij een vriendelijke Stem hoor vragen: „Wat doe jíj nu hier?” „Wat ík hier doe? Dat weet ik niet, maar ik bén hier nu eenmaal. Het is hier zó fijn en heerlijk; ik geniet aanhoudend!” „Ja, maar het is je tijd nog niet, je moet terug”, zegt die Stem. Ik probeer achter mij te kijken maar kan niet Degene ontdekken die met mij spreekt. „Ik vind het hier zo fijn, mag ik alstublieft hier blijven”, vraag ik. „Nee, je moet echt terug, je bent hier wel, maar veel te vroeg”, zegt de Stem weer.
Terug
Hoe ik mij ook verweer, ik word weer steeds lichter en word weer in die tunnelbuis gezogen waaruit ik was gekomen. De reis gaat nu terug, maar veel sneller. Ik zweef de donkere buis door, tuimel met een tomeloze vaart eruit en suis door het luchtruim, terug naar de aarde. De gebouwen worden steeds groter en ik zie, dwars door het dak heen, mijn lichaam liggen tussen die witte en groene mensen met doekjes voor de mond. Ze zijn nog steeds met me bezig.
Ik ben bang dat mijn lichaam uiteen zal spatten vanwege de grote snelheid waarmee ik erin zal terugkeren. Maar ik kan nergens m’n vaart mee minderen. Met een ontzettend harde klap plof ik terug in mijn aardse lichaam. Meteen is alles donker en stil. Ik voel me als een fladderende vlinder die in zijn eigen cocon is teruggeduwd. Alles is achter de rug!
Met m’n aardse oren hoor ik iemand dichtbij vragen: „Hoe heet je, wordt eens wakker.” Er wordt met een hand tegen mijn wang werd getikt. „Wat een domme vraag!”, denk ik. „Iedereen weet toch dat ik… hoe heet ik nu ook alweer?” Ineens zie ik met mijn aardse ogen een wazig gezicht met een lapje voor de mond mij heel indringend aankijken. Voel dat hij op mijn wang blijft tikken en mij maar blijft vragen hoe ik heet en mij voorzichtig heen en weer schudt. Ik word er vreselijk moe van en zak in een peilloos diepe duisternis. Hoe heet ik nu toch?
Dichtgeschroefde keel
Later word ik wakker doordat ik iemand hoor zeggen: „Afzagen dan maar.” Tegelijk voel ik dat ze met m’n been bezig zijn. Een golf van paniek laat mij uitschreeuwen: „Nee, niet m’n been eraf!” Maar er komt geen geluid uit mijn dichtgeschroefde keel. Weer glijd ik een diepe duisternis in, zwevend op de rand van de eeuwigheid.
Ik vraag mij af of ik nu dood ben of nog leef. Ben ik op weg naar de hel of naar de hemel? Ik weet het niet. In grote paniek bid ik tot de Heere Jezus om de reinigende werking van Zijn bloed en Zijn voorbede bij Zijn Vader. Ik smeek om Zijn nabijheid en genade. In mijn geest bestorm ik aanhoudend de troon der genade. „O God, wees mij zondaar genadig! Vergeef mij toch al het verkeerde dat Uw Hoogheid schond. Ja, angsten der hel omringen mijn ziel.”
Ik schiet van de ene dimensie in de andere. Soms hoor ik flarden van iemand naast me wiens adem telkens stokt. Ik voel mij meegetrokken de dood in, en vecht des te harder om dit niet te laten gebeuren. Ik wil blijven leven. Zolang er leven is, is er hoop en kan ik de Heere smeken om genade. Het is immers nog genadetijd!
Na enkele dagen zo te hebben geworsteld, dringt het tot mij door dat er iets heel ergs met mij moet zijn gebeurd. Aan iedere gestalte die in mijn blikveld komt smeek ik te vertellen wat er met mij aan de hand is. Niemand reageert op mijn smeekbeden. Ik blijf vragen. Ik móét weten of ik nog een kansje op het leven heb. Pas later kom ik erachter dat ze mij niet konden horen vanwege mijn kaakfractuur.
Tijdens mijn coma leest mijn moeder een krantenknipsel over het ongeluk voor. Als ik dit hoor, schiet ik van schrik naar de andere dimensie en schreeuw mijn verdriet uit tegen de Heere Jezus: „Verloren, verloren! En dat door eigen schuld!”
Na lange tijd laat God zich verbidden. Zijn Stem zegt met kracht in mijn ziel: „Ik leef en gij zult leven!” Meteen weet ik dat dit waar is. Een diepe dankbaarheid gaat door mij heen. „O God, mag ik toch nog leven? Hoef ik nu niet te sterven? Wat bent U goed voor mij! Dank U, Heere, Dank U!” Ik voelde Zijn Levenssappen in mij stromen. Ik hoefde zelf niet meer voor mijn leven te vechten. Al mijn angsten waren verdwenen.
Alle botten
Langzamerhand nadat ik uit coma kom, blijkt mij dat ik door het ongeluk bijna alle botten heb gebroken die ik kon breken: bekken, ribben, armen, schouderbladen, sleutelbenen, schedel, en vooral mijn benen. Al m’n tanden lagen eruit.
Ik heb bij elkaar bijna een jaar in het ziekenhuis gelegen en daar veel hoogte- en dieptepunten meegemaakt. Tot de hoogtepunten hoorde het gebed tijdens en na mijn coma van zuster Greetje, een lid van de gemeente waar we toen kerkten, de gereformeerde gemeente aan de Boezemsingel, met wie ik het contact helaas ben kwijtgeraakt. Mijn been bleek niet te zijn afgezaagd, maar het ging om mijn trouwring. Op dat moment wist ik alleen niet dat ik was getrouwd en twee kindertjes had.
Tot de dieptepunten hoorde het moment waarop mijn linkerbeen werd kapot gedrukt door mijn eigen spieren. De 7 kilo zware tractie was eraf gehaald omdat ik een weekend naar huis zou gaan. In plaats daarvan werd ik lang geopereerd. De pijn was afschuwelijk. Toch heeft de Heere mij er opnieuw doorgeholpen.
Na nog eens vijf jaar revalidatie thuis ben ik in 1976 weer aan de slag gegaan als loketbeambte van een postkantoor. Ik liep toen nog op krukken. Later ben ik programmeur-systeemanalist bij de PTT geworden, waar ik meehielp met de invoering van de postcode.
Verzwegen
Mijn bijna-doodervaring heb ik bijna dertig jaar verzwegen, ook voor mijn vrouw. Ik kon er alleen met de Heere over praten. Het was mijn geheim. Het waren onze kinderen -inmiddels drie- die rond de eeuwwisseling vragen begonnen te stellen. Gelukkig had ik in die lange tijd van zwijgen stukjes van deze hemelse belevenis opgeschreven. Daardoor kon ik een waarheidsgetrouwe reconstructie ervan maken.
Zo’n vijf jaar geleden vroeg de Heere: Waar is Mijn eer voor al die wonderen die Ik in je leven heb gedaan? Toen moest ik ze wel publiek maken. Dat deed ik in februari 2003. Ik heb mijn verhaal naar zo’n honderd mensen opgestuurd.
Opvallend was dat ik positieve opmerkingen kreeg van onkerkelijke mensen, maar bijna geen reactie van mensen uit de gereformeerde gezindte, ook niet van predikanten en ouderlingen. Ik ben met mijn verhaal naar een voor mij onbekende predikant gegaan. Hij kon mijn bekeringsverhaal overnemen, maar met de bijna-doodervaring kon hij niet uit de voeten.
Ik snap het trouwens wel als mensen mijn verhaal zweverig vinden. Het ís ook niet te verklaren. Het is van een hogere orde. Ik kan niet zeggen dat ik God heb gezien. Wel denk ik dat die Stem de Heere Jezus was, maar dat weet ik niet zeker.
Erkenning
Ik ervaar erkenning door het onderzoek van Pim van Lommel naar bijna-doodervaringen. Een paar jaar geleden zag ik een interview met hem. Eindelijk was er iemand die mijn verhaal begreep. Ook zag ik dat er meer mensen zijn die hetzelfde hebben meegemaakt.
De bijna-doodervaring heeft grote invloed op mijn leven gehad. Ik ben nu veel emotioneler dan voorheen. Mijn vrouw heeft een andere man teruggekregen. Ik kan huilen om het mooie dat de Heere aan me geeft, of ik nu de schoonheid van Zijn schepping zie tijdens het snorkelen in de Middellandse Zee of achter mijn elektronisch orgel psalmen zing en Zijn lof verkondig.
Eerlijk gezegd -en dat maakt me weer emotioneel- verlang ik naar de dood, om bij Hem te zijn. Dat geeft me wel een schuldgevoel naar mijn vrouw en kinderen. Maar ik weet nu hoe mooi het in de hemel is, hoe volmaakt. Die God, is onze God van heil. Hij schenkt uit goedheid, zonder peil, ons ’t eeuwig, zalig leven! Hij kan, en wil, en zál in nood, zelfs bij het naderen van de dood, volkomen uitkomst geven!
Laten we gezamenlijk de Heere bidden of ik er tussenuit mag vallen, of Hij dit artikel wil zegenen en dat Hij alle eer krijgt.”
”Eindeloos bewustzijn”
De Arnhemse ex-cardioloog dr. Pim van Lommel publiceerde onlangs het boek ”Eindeloos bewustzijn”. Het gaat over zijn levenswerk, een onderzoek naar mensen die tijdens een hartstilstand een bijna-doodervaring (BDE) kregen en daarna hierover vertelden.
BDE is een omstreden verschijnsel. In een tweeluik besteedt deze krant aandacht aan deze bijna-doodervaringen. Vandaag een ervaringsverhaal, dinsdag in Spectrum een interview met dr. W. van Lommel en een reactie van de theoloog-psychiater drs. P. J. Verhagen.