De omgang met een stil kind is meestal een probleem voor ouders. Hun verwachting sluit niet aan bij de behoefte van het kind. Ouders zitten vaak niet om woorden verlegen, terwijl ze wel moeite hebben met kinderen die weinig zeggen.
Er wordt nogal eens gedacht dat stille kinderen in het bijzijn van anderen niet kunnen genieten. Dat is niet het geval. Ze genieten vaak wel: van verhalen van anderen, van wat ze zien en horen. Ze blijven echter zelf liever op de achtergrond.
Twee typen
Er zijn twee typen stille kinderen. Allereerst zijn er kinderen die van nature weinig behoefte aan praten hebben. Ze nemen alles wat ze horen, zien en beleven in zich op en verwerken dat. Ze hebben echter weinig of geen behoefte die indrukken aan anderen te vertellen. Ze zijn naar binnen gekeerd. Introverte kinderen zijn vaak gevoelig. De uitspraak ”stille wateren hebben diepe gronden” is vaak op hen van toepassing.
Er zijn ook stille kinderen die geremd zijn. Het milieu en met name de houding van de opvoeder, speelt hierbij een belangrijke rol. Deze kinderen worden vaak onbewust ervan weerhouden om te praten. Ze willen wel praten, maar hebben het gevoel dat niet te kunnen.
Afkeurende commentaren kunnen hiervan de oorzaak zijn. Het kan te maken hebben met de taalvaardigheid. Zelf vindt dit type kinderen het vaak ook vervelend dat het moeite heeft met praten. Bij hen kan een gevoel ontstaan minder te zijn dan anderen. „Ze vinden me raar, ze vinden me stil.”
Het gebeurt ook dat opvoeders deze kinderen vergelijken met anderen. „Kijk eens naar Hans, die zegt wel wat.” Hierdoor kan het stille kind nog geremder worden. Wanneer het elke keer te horen krijgt „je moet meer praten”, kan het kind nog meer verlegen worden. De opvoeders ondergraven zo het zelfvertrouwen door altijd meer te eisen dan het kind kan volbrengen.
Veilig en vertrouwd
Hoe kunnen opvoeders het beste met stille kinderen omgaan? Fundamenteel is dat kinderen zich veilig en vertrouwd voelen. Het is goed dat ouders vertrouwen uitstralen en naast het kind gaan staan.
Het is moeilijk tot een gesprek te komen wanneer er sprake is van een machtsverhouding. Dwingen tot praten heeft geen enkele zin, werkt juist averechts. Wil het kind praten, dan praat het, wil het niet praten, dan niet.
Kinderen die zich veilig en vertrouwd voelen, zullen communiceren met een vertrouwde persoon. Het gaat niet om de hoeveelheid woorden, maar om de interactie. Het zich vrij voelen om wat te zeggen is belangrijk. Alle nadrukkelijkheid dienen de opvoeders zo veel mogelijk te vermijden. Boos worden heeft alleen een negatief effect; het kind sluit zich dan nog meer af.
Ouders dienen te proberen hun kind te begrijpen en dat te laten merken. Wanneer een moeder ziet dat haar kind verdrietig is, moet ze niet vragen waarom hij verdrietig is, geen discussie aangaan, maar haar arm om hem of haar heen slaan en zeggen: „Ik zie dat je niet blij bent.” Bevestiging van de gevoelens is op zo’n moment voldoende.
Ouders helpen hun kinderen door actief te luisteren, warmte te geven, respect te tonen, het kind te accepteren en écht te zijn. Dat zijn onmisbare ingrediënten voor een goede communicatie. Ze dwingen hun kind niet tot praten maar geven het een gevoel van vrijheid. Het is immers voor dit kind een probleem dat het moet praten.
Stille kinderen kunnen in eerste instantie beter uit de voeten met oppervlakkige, gesloten vragen dan met open vragen. Op gesloten vragen is een beperkt aantal antwoorden mogelijk, zoals „ja” of „nee.” Gesloten vragen zijn nodig om gesprekken te beginnen en om bruggetjes te bouwen naar een diepgaander gesprek. Daarbij is een prettige sfeer belangrijk. Het kind moet zich op zijn gemak voelen.
Goed toegepaste lichaamstaal en stemgebruik bevorderen een goede sfeer. Zo is knikken is een bevestiging van wat er wordt gezegd. Verzitten geeft daarentegen de indruk dat het te lang duurt voordat er een antwoord komt.
Ook is het belangrijk situaties te scheppen waarin het kind gemakkelijker tot praten komt. Dit kan zijn door samen iets te ondernemen. Tijdens een wandeling, autorit of afwas kunnen goede gesprekken ontstaan.
Wel elders
Het kan zijn dat een kind thuis niet praat, maar wel met een vriendje of iemand anders. Opvoeders dienen dan niet het verwijt te maken: „Bij anderen kun je wel praten en thuis niet.” Bij anderen ervaart het kind mogelijk geen remmingen. Daar vindt het een uitlaatklep voor zijn gevoelens.
Het is belangrijk dat ouders leren zien wat hun kind nodig heeft. Ieder mens is anders. Het kind en zijn ouders hebben hun eigen persoonlijkheid. Soms kunnen ouders met het ene kind gemakkelijker overweg dan met het andere.
Het is goed als ouders hun eigen zwakke en sterke kanten kennen, zodat ze zo veel mogelijk valkuilen in hun opvoeding vermijden. Het is goed als zij hun eigen gedrag analyseren en ontdekken welke aanpak werkt. Ook verdient het aanbeveling het kind geen stempel op te drukken. Ze zijn nog in ontwikkeling en een stempel werkt daar negatief op.
Als tegen een kleuter wordt gezegd dat hij stil is, kan hij zich naar dat stempel gaan gedragen. De kwaliteit van een gesprek staat of valt met de warmte en het respect van de gesprekspartners. Het vooropstellen van het belang van het kind bevordert het gesprek. Eigen belang staat een goed gesprek in de weg. Respect voor het kind en bescheidenheid van de opvoeder zijn onontbeerlijk.
Tips
Creëer een prettige sfeer, zodat het stille kind zich op z’n gemak voelt.
Probeer zicht te krijgen op wat het kind nodig heeft.
Dwing het kind niet tot praten.
Bouw een vertrouwensrelatie op.
Ga naast het kind staan of zitten, zodat er niet intens naar hem of haar wordt gekeken.
Zorg voor aanwezigheid van leeftijdsgenoten, dat kan het praten bevorderen.
Val het kind niet in de rede, maar luister welgemeend.
Geef geen commentaren die afkeuring uitdrukken.
Drs. Keus is oud-docente pedagogiek aan hogeschool Driestar educatief, echtgenote en moeder van drie volwassen kinderen.