Op zijn tiende dacht hij nog nauwelijks over dit verschil na. Pas toen Freek, zelf reformatorisch, naar een reformatorische middelbare school ging werd dat anders. Het verschil tussen hem en andere jongens werd groter. „Ik moest soms goed acteren om iedereen te laten geloven dat ik hetero was.”
Dat maakte hem erg ongelukkig, zegt hij. „Ik was een beetje een outsider. Als je geen verkering hebt, word je dat al snel. Er waren meisjes die verliefd op mij werden en ik ben regelmatig gekoppeld, maar ik toonde nooit interesse in verkering. Dat hadden mijn klasgenoten al gauw door.” Hij kijkt even peinzend voor zich uit. „Je wordt er niet gelukkig van door net te doen alsof je hetero bent. Maar ik wilde niet anders, want ik was bang dat ik mijn vrienden zou verliezen als ik er voor uitkwam dat ik homo was. Ik heb me toen een poosje van alles en iedereen afgesloten.”
Gevoelloos
De middelbare school heeft hij inmiddels net afgerond en daarmee ook deel van zijn gevoeligheid achter zich gelaten. „Ik ben harder geworden, gevoellozer misschien. Het maakt me niet meer uit of mensen me accepteren of niet. Dat is hun probleem. Eerst was ik heel bang om afgewezen te worden. Nu niet meer.”
Hij vindt, nu hij terugkijkt, dat er veel mankeert aan de houding op zijn school ten opzichte van homofiele jongeren. Of liever gezegd: het gebrek aan een houding. Als voorbeeld noemt hij de dag dat zijn klas seksuele voorlichting kreeg. „Er werd niks over homo’s gezegd. Op reformatorische scholen denken ze niet zo snel dat iemand homo zou kunnen zijn.”
Die schooltijd ligt nu een halfjaar achter hem, en Freek voelt zich goed, „beter dan ooit tevoren.” De moeilijke periode heeft hem sterker gemaakt. Hij staat erop dat er bij dit artikel geen zielige foto komt, want zo voelt hij zich niet. „Niet zo’n foto met een jongen die met z’n hoofd in z’n handen op een stoel zit”, grijnst hij. „Ik ben homo, maar er zijn ergere dingen. Sommige mensen zitten in een rolstoel, zijn blind of doof. Anderen groeien op als kindsoldaat.”
Zware gesprekken
Het gesprek heeft plaats in een restaurantje in een van de grotere steden van Nederland. Freek wilde niet bij hem thuis afspreken, want zijn ouders weten niets van zijn homofiele geaardheid af. „Als ik het hun zou vertellen, krijg ik zware gesprekken. Daar zie ik soms tegenop. De kans bestaat dat mijn ouders dan anders tegen me gaan doen. Dat ze misschien niks meer met me te maken willen hebben. En ik wil ze niet beschadigen met wie ik ben.”
Om de vraag of hij hetero zou willen zijn als dat kon, moet hij lachen. Hij denkt daar niet over na, omdat de kans zo klein is. Wijzend naar een donkerharige lobbes die niet op of om kijkt: „Net zo min als ik nu bedenk wat ik zou doen als die hond daar in mijn been beet.”
Hoe de toekomst er voor hem dan wél uit gaat zien, weet hij niet. Hij sluit niet uit dat hij ooit een relatie aangaat met een andere jongen. „Toen mijn klasgenoten op de middelbare school met elkaar naar bed gingen, was dat ook verkeerd maar daar had niemand het over. Ik geloof dat je niet meteen zalig bent als je heel je leven alleen blijft en dat je niet per se verloren gaat als je als homo een relatie hebt.”
Maar hoe kun je God om vergeving vragen als je dag in dag uit opzettelijk doet wat Hij niet wil? Je moeten toch strijden tegen de zonde? Na even nadenken: „Dat vind ik een heel moeilijke vraag. Maar als je van tevoren al weet: ik moet mijn hele leven alleen blijven, anders ben ik heel erg verkeerd bezig - ik denk dat je dan heel depressief wordt. Als je op dieet gaat, krijg je verschrikkelijk veel honger. Niet alleen omdat je minder eet, maar ook omdat je weet dat je niks mag eten. Ben je niet op dat dieet, dan voel je die honger misschien helemaal niet.”
Nog een laatste vraag. Waarom doe je mee met dit interview? „Omdat veel mensen -vooral van mijn leeftijd- denken dat er geen christelijke homo’s bestaan. Dat homo’s mensen zijn die heel arrogant zijn en een enorm groot ego hebben en de hele dag aan seks denken.” En: „Ik doe dit ook om mijn familie een stille hint te geven dat ik het misschien ben.”
Freek heet in werkelijkheid anders.
„Veroordeel homofiele jongere niet”
Ongeveer 5 tot 10 procent van de Nederlanders is homofiel. Dat blijkt uit cijfers van organisaties als Different en de homo-emancipatiebeweging. Hoe is het voor refojongeren en hun omgeving om te ontdekken dat ze homofiel zijn?
„Het is een vreselijke gewaarwording als je erachter komt dat je gevoelens hebt voor je eigen geslacht”, zegt A. De Korte, orthopedagoog bij Driestar educatief. „Pubers proberen het uit alle macht weg te dringen, want het kan niet, het mag niet en ze willen het niet. In zo’n periode moeten ze door een heel diep dal. Niemand mag er dan iets van weten, ook de hulpverlener niet.”
De Korte benadrukt dat niet iedereen die gevoelens heeft voor hetzelfde geslacht homofiel is. „Verwarring over de seksuele gerichtheid is in de puberteit vrij normaal omdat jongeren nog in ontwikkeling zijn. Daardoor voelen ze zich wel eens een periode aangetrokken tot hetzelfde geslacht.”
Een aantal keer per jaar geeft hij zelf hulp aan homofiele jongeren. Zij zijn dan vaak al door het diepste dal heen, merkt hij. Ze hebben veel over hun geaardheid nagedacht en zoeken openheid omdat ze bijvoorbeeld worstelen met de wens een relatie aan te gaan.
Veel jongeren weten echt wel wat de Bijbel zegt over homoseksualiteit, maar zoeken -soms wanhopig- naar een mogelijkheid voor een relatie. „Heteroseksuele zonden zijn toch net zo erg als homoseksuele zonden”, vragen ze dan. Dat is zeker zo, maar je moet wel tegen je zondige begeerten vechten.”
„Veroordeel homofiele jongeren niet als ze aangeven later misschien een homoseksuele relatie te willen, maar probeer een gesprek aan te gaan”, adviseert De Korte. „In eerste instantie houd ik me bij zulke gesprekken verre van tips. Met dit soort worstelingen is het voor zo’n jongere vreselijk als ik hem ga overladen met dingen die hij toch al weet. Dat komt in de loop van de begeleiding wel aan de orde. Juist als ik open sta voor hun verhaal kan ik iets van mijn eigen gedachten daarover meegeven.
De orthopedagoog vindt het ontzettend moeilijk om homofiele jongeren enerzijds op de Bijbelse grenzen te wijzen en ze anderzijds begripvol tegemoet te komen. „Ik voel me daarin vaak tekortschieten. Veel andere begeerten staan meer op zichzelf, maar homofilie omvat het totale mens-zijn van jongeren. Dat maakt hen heel kwetsbaar.”
Ook al vindt De Korte het moeilijk, hij probeert de Bijbelse waarden telkens opnieuw bespreekbaar te maken. Zijn ervaring is dat jongeren dat ook graag willen. „Ik probeer ze erop te wijzen dat het aangaan van homoseksuele relaties in strijd is met Gods bedoelingen en dat het veel strijd zal kosten om tegen de begeerten te vechten. Toch vraagt de Heere dat. Het lijkt haast een onmogelijke eis, maar Hij reikt ook wapens aan: gebed en geloof. De strijd zal blijven, maar door het geloof mag je weten dat Jezus is voorgegaan in alle mogelijke strijd. En dat Hij de verliezer altijd weer opzoekt.”