Ten einde raad besluiten zijn ouders hulp in te roepen. Bij de orthopedagoge-psychologe komt de diagnose eruit. Tim heeft Attention Deficit Hyperactivity Disorder (ADHD), in het Nederlands vrij vertaald als alle dagen heel druk. De kinderarts verwijst Tim door naar de kinderpsychiater, die het bekende middel Ritalin voorschrijft. Dat gaat een tijd goed, totdat Tim een aversie krijgt tegen het slikken van pillen. Na het staken van gebruik van het middel keren de drukte en de chaos terug. De behandelend arts stapt na enige tijd over op een nieuw middel, Dipiperon. Een pittig medicament, met als indicatie „ernstige agressiviteit bij psychisch gestoorde kinderen.” Het medicijn heeft volgens zijn moeder effect. Tim verandert in een perfect kind, maar is ontzettend vlak in zijn reacties. Hij eet slecht en is mager.
Tims ouders gaan vervolgens op zoek naar andere behandelingsmogelijkheden. Daarbij stuiten ze op de mogelijkheid van een dieetbehandeling door drs. L. M. J. (Lidy) Pelsser van het Onderzoekscentrum voor Hyperactiviteit en ADHD. „We hebben er lang over nagedacht en ook Tim de keus voorgelegd. Uitgangspunt was: als we beginnen, gaan we door. Tim wilde graag, dus zijn we in januari dit jaar gestart.”
Testfase
De eerste drie weken vormen de zware testfase om te kijken of voeding een rol speelt. Zuivelproducten, aardappelen, eieren, citrusfruit, varkensvlees, vis, pinda’s, snoep, kruiden, producten met geur-, kleur- en smaakstoffen en nog heel wat meer voedingsmiddelen verdwijnen van het menu. Alleen bepaalde groenten en fruit, vlees, sommige koekjes en brood met zeer beperkt beleg zijn toegestaan.
Na tien dagen is het effect bij Tim gering. Op advies van Pelsser volgt een verdere dieetbeperking en verdwijnen alle tarweproducten van het menu. Na enkele dagen is het effect merkbaar. „Tim veranderde tot onze verbazing ineens in een normaal kind”, vertelt Nel Duits.
De aanpak van Tim staat model voor de dieetbehandeling die Pelsser in praktijk brengt. „Eerst is er de onderzoeksfase, waarin heel veel voedingsmiddelen van het menu verdwijnen. Deze fase duurt drie tot vier weken. Als dat geen effect heeft, is het zinloos verder te gaan met het dieet. Als het kind wel positief reageert en rustig wordt, gaan we verder. Iedere week mag vervolgens één voedingsmiddel aan het dieet worden toegevoegd. Als dat geen negatief effect heeft, komt het op de lijst van toegestane producten. Als het wel leidt tot een terugval, schrappen we het. Provocatie en eliminatie heet dat. Die fase van testen en vervolgens toelaten of uitsluiten van voedingsmiddelen duurt bij elkaar een jaar. Iedere maand zie ik de ouders een keer in mijn praktijk”, vertelt Pelsser in de spreekkamer van haar in Eindhoven gevestigde onderzoekscentrum.
Het toelaten of uitsluiten van voedingsmiddelen is volgens haar noodzakelijk omdat bij ieder ADHD-kind weer andere producten problemen kunnen veroorzaken. „Het gaat meestal om meer dan één voedingsmiddel. Dat maakt het moeilijker. Als het alleen maar lag aan bijvoorbeeld melk, pindakaas en smaakversterkers zou het makkelijk zijn. Maar dat is dus niet zo. Bij het ene kind geeft varkensvlees problemen, bij een ander vis, bij een derde zijn het de eieren. Dus moet je na de startperiode per kind individueel uitzoeken welk voedingsmiddel problemen geeft.”
Pelsser waarschuwt ouders er wel voor niet zelf te gaan experimenteren met het weglaten van voedingsmiddelen. „Je hoort nogal eens dat ouders op eigen houtje dingen schrappen. Sommigen geven geen kleurstoffen, anderen geen melk, dan weer dit, dan weer dat. Zo plaag je een kind maandenlang met allerlei beperkingen die eigenlijk zinloos zijn. Je kunt het beter kort en goed doen, zodat je weet of er een verband is met voeding, ja of nee. Bij 40 procent van de kinderen is dat er niet. Die hoef je na drie weken niet verder te behandelen met een dieet. Je kunt ze desgewenst doorsturen voor een medicamenteuze behandeling of gedragstherapie.”
Meevaller
Al snel blijkt dat Tim aardappels en melkproducten normaal verdraagt. Een meevaller. Tarwe is echter een probleem. Dat betekent dat brood en alle producten waarin graan is verwerkt, van de menulijst moeten. Nel Duits: „We zijn toen op zoek gegaan naar ander brood. Tim eet nu speltbrood en dat smaakt prima. Hij heeft er geen problemen mee. Het ziet eruit als gewoon brood. Ik koop het bij een biologische winkel.” Spelt is een oud graan en stamt oorspronkelijk uit Zuidoost-Azië. Speltbakkers noemen het oerbrood.
Eieren vormen voor Tim eveneens een probleem, net als producten die zogeheten salicylaten bevatten. Het gaat om een groep van oorsprong natuurlijke stoffen die bijvoorbeeld voorkomen in de schors van de wilg. Ze worden in synthetische vorm verwerkt in pijnstillers en ontstekingsremmers (aspirine, acetyl-salicylzuur). Ook geur- en smaakstoffen en alle voedingsmiddelen waarin deze zijn verwerkt, zoals snoepgoed en aroma’s, bevatten echter salicylaten. Ze komen daarnaast voor in groenten en fruit. Die vormen echter doorgaans geen probleem omdat de concentratie niet hoog is. Pelsser: „Het gaat erom dat je de prikkeldrempel niet overschrijdt. Dat gebeurt met snoep echter snel omdat de concentraties hoger zijn.”
Verreweg het meeste snoepgoed is voor Tim dan ook taboe. Zijn moeder: „Hij mag bijvoorbeeld maar één soort lolly. En een speciaal merk chocolade is ook toegestaan. Vanillevla mag hij niet, want daarin zitten aroma’s; chocoladevla daarentegen kan hij wel goed hebben. Houdt Tim zich niet aan de regels, dan merken we dat meteen. Dat gebeurt bijvoorbeeld wel eens als we bij andere mensen eten. Die wil je niet belasten met dieetvoorschriften. Je merkt dan enkele dagen de gevolgen. Hij is weer even druk.”
Tim is volgens zijn moeder doorgaans goed gemotiveerd om snoep te laten staan. „Met Sint-Maarten bijvoorbeeld leverde hij al zijn snoep in dat hij aan de deur kreeg. We geven hem dan geld. En de snoepjeskast zit op slot om hem niet in de verleiding te brengen als hij het toch even moeilijk heeft.”
Het dieet betekent wel doorzetten. Nel Duits: „Aanvankelijk heb je het gevoel dat je je kind te veel ontzegt. Alles draait in deze maatschappij nu eenmaal om eten en snoepen. Op school, op de club, op verjaardagsfeestjes, als je een dagje uitgaat, als opa en oma komen en wat willen geven. Maar Tim wil geen medicijnen meer slikken, dus dat motiveert hem toch om door te gaan. En hij heeft ze ook niet meer nodig. We hebben nu het gevoel: Hadden we dit maar eerder geweten. We hebben geen spijt van de dieetaanpak.”
Het is volgens Pelsser belangrijk dat ouders het samen eens zijn over de dieetbehandeling. „Deze aanpak kost tijd en inzet. Het is anders dan een pilletje slikken. Ik maak geregeld mee dat moeders enthousiast zijn en een afspraak maken en vervolgens terugbellen: Het mag niet van mijn man. De kostenfactor speelt soms ook mee. Het onderzoek kost 520 euro. Daarnaast heb je nog de dieetkosten. Sommige zorgverzekeraars vergoeden overigens wel een deel van de kosten.”
Dierenarts
Pelsser is van huis uit dierenarts. Haar belangstelling voor ADHD werd gewekt door een hond, een druk beest dat bovendien eczeem had. „In de diergeneeskunde is het al heel lang gebruikelijk om eczeem aan te pakken via de voeding, dus op een gegeven moment deed ik dat ook. Zes weken later was het eczeem verdwenen. Tot mijn niet geringe verbazing was het dier echter ook heel rustig geworden. Ik vond dat frappant en legde vervolgens de link naar voeding en hyperactiviteit bij mensen.”
Pelssers belangstelling is dan gewekt. Ze onderzoekt de literatuur. „Uit diverse studies blijkt dat bij 60 tot 80 procent van de ADHD-kinderen de klachten door voeding ontstaan. Dat vond ik aanvankelijk belachelijk hoog. Ik vroeg me ook af waarom, als dat zo is, een dieetbehandeling niet tot de standaardtherapie behoort.”
De dierenarts gaat vervolgens psychologie studeren en richt haar onderzoekscentrum op. Ze doet een eerste verkennend onderzoek met ruim zestig kinderen met ADHD. Voor een tweede pilotstudie met veertig kinderen vraagt ze subsidie aan bij de Stichting Kinderpostzegels. De subsidie wordt verleend. Onderzoeksbegeleider is onder anderen prof. dr. J. K. Buitelaar, ADHD-deskundige en hoogleraar kinderpsychiatrie in Nijmegen.
Uit de resultaten van de twee studies blijkt dat 62 procent van de behandelde kinderen, bijna twee van de drie dus, baat heeft bij de dieetaanpak. „Bij hen trad minimaal een 50-procentsverbetering op in het symptomenbeeld, zodat ze niet meer voldoen aan de criteria voor ADHD”, aldus Pelsser. De resultaten van het eerste onderzoek verschijnen februari volgend jaar in het tijdschrift Kind en Adolescent. Een publicatie naar aanleiding van de tweede studie is geaccepteerd door het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en wordt binnenkort geplaatst. „Ik ben blij met die acceptatie. Rond voeding hangt toch een ’alternatieve’ geur. Dat maakt de dieetbehandeling van ADHD voor nogal wat artsen bij voorbaat verdacht. Maar dit is puur regulier onderzoek. Er is niets alternatiefs aan.”
De uitkomsten van pilotstudies vormen wetenschappelijk gezien slechts een aanwijzing voor de juistheid van de aanpak. Verder onderzoek met meer patiënten en een geblindeerde opzet is dan nodig om te zien of het harde bewijs is te leveren dat de behandeling echt effectief is. „Dat klopt”, zegt Pelsser. „In Engeland is zulk onderzoek al gedaan met dezelfde resultaten. Dit is uitgevoerd door de kinderpsychiater prof. dr. E. Taylor. En ik zou meer studies kunnen noemen. Inmiddels adviseert Taylor aan kinderartsen dieetinterventie standaard op te nemen in het onderzoeksprotocol van ADHD-kinderen. Zelf kijkt hij eerst of er een verband is met voeding. Dat vind ik heel goed. Is er geen verband, dan ga je verder met medicijnen of gedragstherapie. Taylors onderzoek is in 2001 gepubliceerd. Ik kende zijn studie niet, maar werd erop gewezen door een kinderarts uit Eindhoven die zelf ook zo werkt. Die aanpak spreekt mij aan.”
Het is Pelsser opgevallen dat de lichamelijke klachten die veel ADHD-kinderen hebben, door het dieet verdwijnen. „Ze voelen zich daardoor prettiger. Dit positieve effect op lichamelijke klachten is er niet als ze medicijnen gebruiken. Daarom zijn de kinderen volgens mij vaak heel gemotiveerd om het dieet vol te houden.”
Is er bij een deel van de ADHD-kinderen sprake van een stofwisselingsstoornis?
„Daar is, voorzover ik weet, geen onderzoek naar gedaan. Mogelijk werken bepaalde voedingsbestanddelen bij ADHD-kinderen in op het neurotransmittersysteem. Ze beïnvloeden in dat geval de boodschapperstoffen die in het neurohormonale systeem een belangrijke rol spelen, zoals dopamine. Bij veel kinderen die goed reageren op een dieet werkt Ritalin ook heel goed. Ritalin werkt in op het dopaminesysteem. Alleen: het werkt maar even, terwijl voeding 24 uur per dag werkt.”